ECLI:NL:GHAMS:2020:1564

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 juni 2020
Publicatiedatum
16 juni 2020
Zaaknummer
23-004544-18
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 63 SrArt. 311 SrArt. 422 SvArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging poging woninginbraak met aangepaste strafoplegging

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam bevestigd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging woninginbraak. De rechtbank had verdachte veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf, maar het hof vernietigde de strafoplegging en motivering en deed in zoverre opnieuw recht.

Het hof oordeelde dat de poging tot inbraak voldoende bewezen was op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en verwierp het verweer van de verdediging dat er geen begin van uitvoering was. Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de verdachte, die eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Daarnaast nam het hof de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in acht, waarbij bij recidive een gevangenisstraf van vijf maanden als uitgangspunt geldt. Gezien het feit dat het om een poging gaat en de straf die aan een medeverdachte is opgelegd, achtte het hof een gevangenisstraf van drie maanden passend en geboden.

De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, wordt in mindering gebracht op de opgelegde straf. Voor het overige bevestigt het hof het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest wegens poging woninginbraak.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004544-18
datum uitspraak: 8 juni 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 december 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-654053-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedag] 1966,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met aanvulling van de overwegingen naar aanleiding van het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer.

Verwerping verweer

Het door de verdediging bepleite standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit nu geen sprake is van een begin van uitvoering wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien weken, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft verzocht bij een eventuele bewezenverklaring een taakstraf op te leggen met daarnaast een gevangenisstraf voor een duur gelijk aan het voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning. Door zo te handelen heeft de verdachte met zijn mededaders inbreuk gemaakt op de veilige omgeving die een woning geacht wordt te zijn en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt bij de bewoners. Bovendien hebben zij de eigenaar van de woning schade berokkend. Daarnaast veroorzaken zulke delicten gevoelens van angst, en meer in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.
In het nadeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 mei 2020 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In deze oriëntatiepunten wordt voor de straftoemeting bij een woninginbraak in geval sprake is van recidive als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden genoemd. Daarnaast is bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de straf die aan de medeverdachte voor het onderhavige feit is opgelegd. In strafmatigende zin zal het hof tot slot rekening houden met het feit dat het in dit geval een poging woninginbraak betreft.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. S.M.M. Bordenga en mr. M. Jurgens, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M Keereweer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 juni 2020.
=========================================================================
[…]