ECLI:NL:GHAMS:2020:1565

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 juni 2020
Publicatiedatum
16 juni 2020
Zaaknummer
23-004545-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 63 SrArt. 311 SrArt. 422 SvArt. 27 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging poging woninginbraak met gewijzigde strafoplegging en tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 december 2018, waarin verdachte werd veroordeeld voor poging woninginbraak. Het hof bevestigde het bewezenverklaarde feit, maar vernietigde de strafoplegging en motivering om deze opnieuw vast te stellen.

De verdachte had samen met anderen geprobeerd in te breken in een woning, waardoor de veilige woonomgeving werd geschonden en gevoelens van onveiligheid bij de bewoners en in de maatschappij ontstonden. Tevens werd schade aan de woning veroorzaakt. Het hof hield rekening met eerdere veroordelingen van de verdachte voor soortgelijke feiten en paste de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht toe.

Op basis van deze omstandigheden legde het hof een gevangenisstraf van drie maanden op, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest had doorgebracht. Tevens werd de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 34 dagen, omdat verdachte zich tijdens de proeftijd opnieuw schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit.

Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 8 juni 2020.

Uitkomst: Gevangenisstraf van drie maanden opgelegd en tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf gelast.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004545-18
datum uitspraak: 8 juni 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 december 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-654051-18 en 16-659332-17 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedag] 1965,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning. Door zo te handelen heeft de verdachte met haar mededaders inbreuk gemaakt op de veilige omgeving die een woning geacht wordt te zijn en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt bij de bewoner(s). Bovendien hebben zij de eigenaar van de woning schade berokkend. Daarnaast veroorzaken zulke delicten gevoelens van angst, en meer in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.
In het nadeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte blijkens een haar betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 mei 2020 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In deze oriëntatiepunten wordt voor de straftoemeting bij een woninginbraak in geval sprake is van recidive als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden genoemd. Daarnaast is bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de straf die aan de medeverdachte voor het onderhavige feit is opgelegd. In strafmatigende zin zal het hof tot slot rekening houden met het feit dat het in dit geval een poging woninginbraak betreft.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging 16-659332-17

Het Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 10 november 2017 met parketnummer 16-659332-17 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 34 dagen met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en bijbehorende motivering en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 10 november 2017, parketnummer 16-659332-17, te weten van:
gevangenisstrafvoor de duur van
34 (vierendertig) dagen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. S.M.M. Bordenga en mr. M. Jurgens, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M Keereweer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 juni 2020.
=========================================================================
[…]