Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.Beide advocaten hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vrouw aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.
3.De feiten
De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen (….) alsmede kosten van ontwikkeling en ontspanning van de gezinsleden (…) worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan.
De echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het te veel bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot.
De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hun inkomen in de zin van artikel 6 na Pro aftrek van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding (….) onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde op grond van het vorenstaande te verrekenen bedrag aan inkomen.
4.Het geschil in hoger beroep
toev. hof) de man aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 387,- dan wel een door het hof juist te achten bedrag.
5.Beoordeling van het hoger beroep
gemeenschappelijkehuishouding, af te leiden dat de daarin opgenomen verplichting van de echtgenoten om bij te dragen aan de kosten van de huishouding naar rato van inkomen en vermogen slechts geldt, zolang feitelijk sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. Met andere woorden, op het moment dat aan de samenwoning van partijen een einde is gekomen, betekent dit ook het einde van de gemeenschappelijke huishouding in artikel 7 van Pro de huwelijkse voorwaarden met als gevolg dat - zoals de rechtbank heeft overwogen - de draagplicht voor de kosten van de huishouding is komen te vervallen. Feiten of omstandigheden die tot een andere uitleg van artikel 7 van Pro de huwelijkse voorwaarden zouden moeten leiden, heeft de vrouw niet gesteld en zijn evenmin gebleken. Vast staat dat de man de echtelijke woning op 12 april 2016 heeft verlaten, alsook dat de man niet de intentie had om terug te keren - nu de vrouw dit onvoldoende heeft weersproken dan wel daartegenover te weinig heeft gesteld - en partijen een mediation-traject zijn gestart om de scheiding in goede banen te leiden, zodat hij vanaf dat tijdstip niet meer gehouden was de kosten van de huishouding van de vrouw en de zoon van partijen te dragen.