ECLI:NL:GHAMS:2020:1656
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tenuitvoerlegging dwangbevel wegens sepot verdenking witwassen
Veroordeelde verzet zich tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel van 16 april 2019, waarmee een betalingsverplichting wegens wederrechtelijk verkregen voordeel werd gevorderd. Het hof heeft kennisgenomen van de processtukken en heeft tijdens de raadkamerzitting de advocaat van veroordeelde en de advocaat-generaal gehoord.
De betalingsverplichting was eerder opgelegd bij arrest van 16 maart 2012 en onherroepelijk geworden op 4 november 2014. Een voorlopige betalingsregeling was overeengekomen, maar het CJIB beëindigde deze voortijdig door uitvaardiging van het dwangbevel. Het dwangbevel was gebaseerd op een proces-verbaal van verdenking witwassen van 8 april 2019.
Echter, de officier van justitie heeft bij kennisgeving van 27 augustus 2019 besloten de strafvervolging wegens onvoldoende bewijs te seponeren. Hierdoor is de grondslag van het dwangbevel komen te vervallen. Het hof verklaart daarom het verzet tegen de tenuitvoerlegging gegrond en beveelt onverwijlde betekening van deze beschikking aan veroordeelde.
Uitkomst: Het hof verklaart het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel gegrond wegens sepot van de verdenking witwassen.