Uitspraak
:[adres],
Gerechtshof Amsterdam
De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam verplicht gesteld tot betaling van een bedrag van €31.564,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden na een niet-ontvankelijkverklaring door de Hoge Raad in cassatie.
Ter invordering van het openstaande bedrag is conservatoir beslag gelegd op een personenauto, waarvan de opbrengst en rente het openstaande bedrag hebben verminderd tot €27.026,43. Het openbaar ministerie heeft vervolgens een vordering ingediend tot verlof voor de tenuitvoerlegging van lijfsdwang voor de duur van 180 dagen om het resterende bedrag te incasseren.
Tijdens de raadkamerzitting van 15 mei 2020 heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering af te wijzen, omdat de veroordeelde naar verwachting geruime tijd in detentie zal verblijven vanwege een andere strafzaak. De raadsman van de veroordeelde steunde dit standpunt. Het hof heeft daarop de vordering tot verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang afgewezen.
De beschikking is op 29 mei 2020 door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam uitgesproken en onverwijld betekend aan de veroordeelde.
Uitkomst: De vordering tot verlof voor tenuitvoerlegging van lijfsdwang wordt afgewezen vanwege de verwachte langdurige detentie van de veroordeelde in een andere strafzaak.