ECLI:NL:GHAMS:2020:1668

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2020
Publicatiedatum
23 juni 2020
Zaaknummer
23-004056-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 Wegenverkeerswet 1994Art. 116 lid 1 Wegenverkeerswet 1994Art. 22c Wetboek van StrafrechtArt. 22d Wetboek van StrafrechtArt. 63 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor rijden zonder rijbewijs op bromfiets

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot drie weken hechtenis wegens het rijden zonder rijbewijs op een bromfiets op 26 maart 2019 in Haarlem. Tegen dit vonnis stelde hij hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam.

Het hof acht het bewezen dat de verdachte zonder geldig rijbewijs op een tweewielige bromfiets reed op de openbare weg. Er zijn geen omstandigheden die de strafbaarheid uitsluiten. De verdachte heeft in het verleden meerdere onherroepelijke veroordelingen gehad voor soortgelijke feiten.

Het hof heeft echter rekening gehouden met de positieve ontwikkelingen in de persoonlijke situatie van de verdachte, waaronder zijn motivatie voor begeleiding en een leerwerktraject. Daarom vervangt het hof de opgelegde hechtenis door een taakstraf van 40 uur met een vervangende hechtenis van 20 dagen. Tevens wijst het hof de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke jeugddetenties af.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur met vervangende hechtenis van 20 dagen wegens rijden zonder rijbewijs.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004056-19
datum uitspraak: 9 juni 2020
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Haarlem van 19 augustus 2019 in de strafzaak onder parketnummer 96-103334-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2020.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 26 maart 2019 te Haarlem als bestuurder van een motorrijtuig (tweewielige bromfiets) heeft gereden op de weg, de Prins Bernhardlaan, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 26 maart 2019 te Haarlem als bestuurder van een motorrijtuig, tweewielige bromfiets, heeft gereden op de weg, de Prins Bernhardlaan, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van 3 weken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis.
De verdachte en zijn raadsman hebben het hof verzocht aan de verdachte een taakstraf op te leggen in plaats van hechtenis. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de verdachte naar voren gebracht dat het nu goed met hem gaat. Hij heeft een woonplek gevonden in Zwolle en hij wil breken met zijn verleden in Haarlem. De communicatie en de medewerking met GGZ Fivoor verloopt goed. Er is sprake van een goede klik met zijn begeleider. De verdachte deelt voorts mede dat hij zo spoedig mogelijk na zijn detentie gaat beginnen met een leerwerktraject. Een hechtenis zou deze positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte doorkruisen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zonder rijbewijs op een brommer gereden over de openbare weg. Hij heeft daarmee voorschriften om voor alle verkeersdeelnemers de verkeersveiligheid te vergroten genegeerd.
Het hof heeft acht geslagen op het met betrekking tot de verdachte opgemaakte rapport van GGZ Fivoor Haarlem van 3 juni 2020, en op hetgeen met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht.
Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 mei 2020 blijkt dat hij meermalen ter zake van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 onherroepelijk is veroordeeld. Gelet daarop is het hof van oordeel dat een hechtenis voor de duur van 3 weken, zoals door de kantonrechter is opgelegd, in beginsel passend was. De persoonlijke situatie van de verdachte is nu echter anders. Uit genoemd rapport van GGZ Fivoor Haarlem volgt dat de verdachte zich ten tijde van het opmaken van het rapport gemotiveerd toont voor een traject en open staat voor begeleiding vanuit de volwassenreclassering. Voorts is de verdachte aangemeld voor een begeleid wonen traject en wordt hij behandeld voor zijn problematiek. De verdachte laat nu, anders dan in het verleden, zien dat hij wil veranderen en maakt daarover afspraken.
Het hof ziet hierin aanleiding om een andere strafmodaliteit te kiezen, nu een hechtenis deze positieve ontwikkeling zal doorkruisen. Het is nu aan de verdachte om te laten zien dat hij deze wending ten goede na zijn detentie kan vasthouden. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof acht een wezenlijk lagere straf op zijn plaats dan door de advocaat-generaal gevorderd, nu het hof rekening houdt met de gevangenisstraf die de verdachte thans uitzit in een andere strafzaak en met het feit dat een hogere taakstraf moeilijk te combineren is met het schoolwerktraject waarmee de verdachte na zijn detentie gaat beginnen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Haarlem van 16 mei 2018, parketnummer 96-171977-17, opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie van 1 week. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Haarlem van 16 mei 2018, parketnummer 96-201112-17, opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie van 1 week. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen tenuitvoerlegging dienen te worden afgewezen.
De raadsman heeft verzocht de vorderingen tenuitvoerlegging af te wijzen.
Het hof acht termen aanwezig om de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van 5 juli 2019, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Haarlem van 16 mei 2018, parketnummer 96-171977-17, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 1 week.
Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van 5 juli 2019, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Haarlem van 16 mei 2018, parketnummer 96-201112-17, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 1 week.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. M. Iedema en mr. C. Fetter, in tegenwoordigheid van mrs. D. Damman en M.S. de Boer, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juni 2020.