ECLI:NL:GHAMS:2020:175
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vader tot eenhoofdig gezag wegens belangenverwaarlozing minderjarige
De vader verzocht het gerechtshof om hem alleen met het gezag over zijn dochter te belasten, nadat het gezag van de moeder was beëindigd en de gecertificeerde instelling (GI) was belast met de voogdij. De rechtbank had dit verzoek eerder afgewezen op basis van artikel 1:253c lid 3 BW, maar het hof oordeelde dat lid 4 van toepassing is, waarbij het verzoek alleen kan worden afgewezen bij gegronde vrees voor belangenverwaarlozing.
De vader stelde dat hij geen contra-indicaties vertoont en zich sinds de geboorte heeft ingezet voor contact met zijn dochter. De raad en GI benadrukten de kwetsbare positie van het kind, haar belaste voorgeschiedenis en het belang van stabiliteit in het pleeggezin. De vader kent het kind nog niet en het kind reageert heftig op onbekenden.
Het hof concludeerde dat ondanks de wettelijke voorkeur voor de ouder bij gezagsuitoefening, de bijzondere omstandigheden van het kind en haar behoefte aan rust en stabiliteit maken dat het verzoek van de vader moet worden afgewezen. De GI blijft belast met de voogdij om de ontwikkeling van het kind te waarborgen. De vader blijft betrokken bij de plannen omtrent de ontwikkeling van het kind.
Uitkomst: Het verzoek van de vader om het eenhoofdig gezag over zijn dochter te verkrijgen is afgewezen vanwege gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van het kind.