ECLI:NL:GHAMS:2020:177
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging uithuisplaatsing en hereniging kinderen met vader
De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland die de uithuisplaatsing van zijn kinderen had verlengd. De kinderen waren sinds het overlijden van hun moeder in een netwerkpleeggezin geplaatst. De vader wenste hereniging en betwistte de noodzaak van voortgezette uithuisplaatsing zonder voorafgaand deskundigenonderzoek.
De raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) stelden dat uithuisplaatsing noodzakelijk bleef vanwege gedragsproblemen en de noodzaak van opvoedondersteuning. Het hof constateerde dat de omstandigheden sinds de bestreden beschikking aanzienlijk waren verbeterd, met regelmatig contact tussen vader en kinderen, en positieve gedragsveranderingen.
Het hof oordeelde dat de gronden voor uithuisplaatsing niet langer aanwezig waren en dat een BOOG-onderzoek niet noodzakelijk was. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor het gedeelte na heden, het verzoek tot voortzetting van uithuisplaatsing werd afgewezen, en de hereniging met de vader werd mogelijk gemaakt.
Uitkomst: De uithuisplaatsing van de kinderen is beëindigd en hereniging met de vader is toegestaan.