De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het bezit van een busje pepperspray, een verboden wapen volgens artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Hij stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de politierechter.
Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep vanwege procedurele redenen en verklaarde wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 28 maart 2018 in Amsterdam een busje pepperspray bij zich had. Andere tenlasteleggingen werden niet bewezen verklaard. De strafbaarheid van het feit en van de verdachte werd bevestigd.
De politierechter had een geldboete van €350,- opgelegd, subsidiair zeven dagen hechtenis. Het hof achtte deze straf passend gelet op de ernst van het feit, de risico’s van het bezit van pepperspray en de omstandigheden van de verdachte. De verdachte was niet verschenen om zijn grieven toe te lichten, waardoor het hof geen aanleiding zag de straf te matigen of te wijzigen.
Het hof vernietigde tevens de eerder uitgevaardigde strafbeschikking en veroordeelde de verdachte tot dezelfde geldboete van €350,-, met een subsidiaire hechtenisstraf van zeven dagen bij niet-betaling.