ECLI:NL:GHAMS:2020:1962

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2020
Publicatiedatum
16 juli 2020
Zaaknummer
23-004611-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 GrondwetArt. 342 lid 2 SvArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep diefstal powerbank en bewijsuitsluiting onrechtmatige fouillering

In hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter is vastgesteld dat verdachte op 14 september 2019 te Amsterdam een powerbank heeft weggenomen uit een winkel met het oogmerk deze wederrechtelijk toe te eigenen.

De verdediging voerde aan dat de fouillering onrechtmatig was omdat deze was verricht door een particuliere beveiliger, waardoor het bewijs van de aangetroffen powerbank uitgesloten zou moeten worden. Het hof oordeelt echter dat fouillering door een onbevoegde particuliere beveiliger geen strafrechtelijke consequenties heeft voor de verdachte en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die tot bewijsuitsluiting leiden.

Het hof acht het bewijs, waaronder het aangifteformulier en het dossier, toereikend en overtuigend om de diefstal wettig en overtuigend bewezen te verklaren. De verdachte is eerder onherroepelijk veroordeeld voor een gekwalificeerde diefstal en pleegde het feit in de proeftijd daarvan.

Gezien de ernst van het feit, de recidive en persoonlijke omstandigheden van de verdachte, legt het hof een werkstraf van 20 uur op, subsidiair 10 dagen jeugddetentie. Het vonnis van de kinderrechter wordt vernietigd en het hof spreekt de verdachte vrij voor hetgeen niet bewezen is verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 20 uur werkstraf, subsidiair 10 dagen jeugddetentie voor diefstal powerbank.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004611-19
datum uitspraak: 16 juli 2020
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 5 december 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-222301-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 14 september 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, een powerbank, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de [winkel], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewijsoverweging en beslissing over de op te leggen straf komt.

Bespreking van een gevoerd verweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn pleitnotities aangevoerd dat de fouillering onrechtmatig is geweest omdat de verdachte is gefouilleerd door een beveiliger. De fouillering heeft op grond van artikel 10 van Pro de Grondwet een inbreuk gemaakt op de privacy van de verdachte, omdat de verdachte gefouilleerd is bij zijn kruis. De raadsman verwijst in dit kader naar HR 20 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV7501). Het resultaat van de onrechtmatige fouillering, het aantreffen van de powerbank bij de verdachte, dient te worden uitgesloten van het bewijs. Na bewijsuitsluiting dient de verdachte bij gebrek aan voldoende bewijs te worden vrijgesproken.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat in onderhavige zaak slechts sprake is van één getuige, dat het bewijs komt uit dezelfde bron en dat niet mag worden aangenomen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan op basis van één getuige, ingevolge het tweede lid van artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Voorts heeft de raadsman aangevoerd de verdachte vrijgesproken dient te worden omdat de omstandigheid dat de powerbank bij de verdachte is aangetroffen niet zonder meer tot de conclusie kan leiden dat dat die powerbank daadwerkelijk gestolen is.
Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.
De fouillering
De fouillering van de verdachte is niet verricht door of onder de regie van een opsporingsambtenaar, maar door een particuliere beveiliger. De fouillering van de verdachte had niet door een burger verricht mogen worden en is onrechtmatig jegens de verdachte. De in het Wetboek van Strafvordering vervatte normering met betrekking tot onderzoek aan de kleding en het lichaam richt zich echter niet tegen de particuliere beveiliger die een burger aan de kleding en het lichaam onderzoekt. Om die reden kan het fouilleren door de daartoe onbevoegde beveiliger geen strafrechtelijke consequenties hebben voor de verdachte.
Niettemin kan door de strafrechter worden beslist dat op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval een fouillering, die is verricht door een daarmee belaste particulier, zo zeer in strijd is met het recht dat het resultaat daarvan niet kan meewerken tot het bewijs. Nu in de onderhavige zaak de beveiliger geen “met fouillering belaste particulier” is, kan het beroep dat de raadsman heeft gedaan op het arrest van 20 maart 2012 van de Hoge Raad de verdachte niet baten. Voorts is het hof van oordeel dat in casu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, die zo zeer in strijd zijn met het recht, dat het resultaat van de fouillering niet kan meewerken tot het bewijs.
Voldoende bewijs
Het hof is van oordeel dat het aangifteformulier in toereikende en overtuigende mate steun vindt in het dossier en dat het niet anders kan dan dat de verdachte de powerbank heeft weggenomen. Het hof is dan ook van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij, op 14 september 2019 te Amsterdam, een powerbank, die toebehoorde aan de [winkel], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kinderrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 10 uren subsidiair 5 dagen jeugddetentie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie.
De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat gesteld dat in het geval de verdachte toch veroordeeld wordt, hij schuldig dient te worden verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel, dus met toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal bij [winkel]. Winkeldiefstal is een ergerlijke vorm van criminaliteit die voor winkeliers veel hinder en schade oplevert. De verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het desbetreffende winkelbedrijf.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 juni 2020 is hij eerder voor een gekwalificeerde diefstal onherroepelijk veroordeeld.
Het hof weegt in het nadeel van de verdachte mee dat hij het feit heeft gepleegd terwijl hij in de proeftijd van die veroordeling liep.
Het hof heeft bij de strafoplegging ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden, zoals door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht. De verdachte is actief bezig met het vinden van een baan en heeft verklaard dit jaar zijn MBO niveau 1 diploma te halen. Hij is voornemens in het nieuwe schooljaar te starten met een MBO niveau 2 opleiding. De moeder van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat het goed gaat met haar zoon.
Ter terechtzitting heeft de heer [naam 1], jeugdreclasseerder bij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, verklaard dat het inderdaad goed gaat met de verdachte, dat hij begeleid wordt bij CURA XL en zich daar aan de afspraken houdt.
Het hof is van oordeel dat hierin een positieve ontwikkeling te zien is, maar dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf recht doet aan alle omstandigheden van het geval. In hetgeen door de raadsman is aangevoerd omtrent de strafmaat, ziet het hof geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht, nu dit – gezien de recidive en de omstandigheid dat de verdachte deze diefstal in een proeftijd heeft gepleegd – geen recht doet aan deze omstandigheden van het geval en de ernst van het feit.
Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschrift

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
10 (tien) dagen jeugddetentie.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M.P. van der Stroom, in tegenwoordigheid van mrs. D. Damman en S.M. Schouten, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2020.
Mr. M.P. van der Stroom is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]