Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
4.Beslissing
7 juli 2020.
Gerechtshof Amsterdam
Appellant, klant bij ING en vertegenwoordiger van diverse ondernemingen, werd sinds 2013 geregistreerd in het interne verwijzingsregister (IVR) van ING vanwege meerdere zakelijke rekeningen die niet correct werden afgewikkeld en waarbij negatieve saldi ontstonden. Appellant verzocht ING om verwijdering van zijn gegevens, wat werd geweigerd. De kantonrechter wees zijn vordering af, waarna appellant in hoger beroep ging.
Het hof stelde vast dat de feiten niet in geschil waren en dat ING op grond van een intern onderzoek gegronde redenen had voor de registratie. De Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) bieden een rechtmatige grondslag voor verwerking indien het gerechtvaardigde belang van de financiële instelling zwaarder weegt dan de privacybelangen van de betrokkene.
Gezien het aantal zakelijke rekeningen, het gebrek aan betalingsverkeer, de vroegtijdige beëindiging van ondernemingen en negatieve saldi, was de registratie noodzakelijk voor het waarborgen van de veiligheid en integriteit van de financiële sector. Bovendien is het IVR niet inzichtelijk voor derden en had appellant onvoldoende gesteld dat hij daadwerkelijk belemmerd werd bij andere financiële instellingen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde appellant in de kosten van het geding.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering tot verwijdering van persoonsgegevens uit het interne verwijzingsregister af.