Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, waarin verdachte werd veroordeeld voor belediging van een politieambtenaar en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. De verdachte had het hoger beroep deels ingetrokken, waardoor het hof hem niet-ontvankelijk verklaarde voor het deel gericht tegen de vrijspraak.
Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, die het vernietigde en opnieuw beoordeelde. Gelet op de ernst van de feiten, waaronder het openbaar beledigen van een politieambtenaar en het dreigend maken van een schietgebaar richting het slachtoffer, achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.
Het hof nam ook kennis van de omvangrijke documentatie over de verdachte, waaronder een reclasseringsrapport dat een patroon van agressie en middelengebruik beschrijft, en concludeerde dat de verdachte onvoldoende lering trekt uit eerdere straffen. De tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf werd gelast, terwijl verlenging van de proeftijd werd afgewezen.
De straf werd vastgesteld op tien dagen gevangenisstraf, waarmee het hof afweek van de taakstraf en subsidiere hechtenis die de politierechter had opgelegd. Het arrest werd uitgesproken op 29 januari 2020 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.