De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het opzettelijk binnenbrengen van bijna twee kilogram cocaïne in Nederland. Het hof oordeelde dat de verdachte wetenschap had van de drugs in haar koffer, ondanks haar stelling dat zij dit niet wist. De verdediging voerde aan dat de koffer tijdens douanecontroles zonder haar aanwezigheid was geopend en dat de cocaïne mogelijk toen was geplaatst, maar het hof vond deze stelling niet aannemelijk.
Het bewijs bestond onder meer uit telefonische contacten en WhatsApp-berichten tussen de verdachte en een medeverdachte, waaruit een gezamenlijke betrokkenheid bleek. De verdachte was bovendien eerder viermaal onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten, wat meewoog in de strafbepaling.
De rechtbank had de verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf en herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Het hof bevestigde deze straf, rekende de tijd in voorarrest in mindering en wees de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling af omdat deze reeds was toegewezen. Er was sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, maar dit leidde niet tot strafvermindering.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht, waarbij het bewezenverklaarde en de straf gehandhaafd werden. De verdachte verkeert in een gendertransitieproces en werd in het arrest als vrouw aangesproken, hoewel de formele wijziging nog niet was afgerond.