ECLI:NL:GHAMS:2020:2273

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2020
Publicatiedatum
14 augustus 2020
Zaaknummer
23-003346-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 163 Wegenverkeerswet 1994Art. 23 Wetboek van StrafrechtArt. 24 Wetboek van StrafrechtArt. 24a Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep weigering ademonderzoek bij rijden onder invloed alcohol

De verdachte werd verdacht van rijden onder invloed van alcohol op 22 maart 2019 te Alkmaar en weigerde mee te werken aan een ademanalyse na een positieve voorlopige ademtest. De politierechter veroordeelde hem tot een geldboete en een gedeeltelijk voorwaardelijke rijontzegging. In hoger beroep stelde de verdediging dat medische redenen de weigering verklaarden, maar het hof achtte dit niet aannemelijk.

Het hof baseerde zich op het proces-verbaal en camerabeelden waaruit bleek dat de verdachte meerdere malen werd verzocht mee te werken, maar bleef weigeren. De verklaring van de verdachte dat hij 'out ging' door de behandeling werd niet geloofd. Het hof achtte het bewezen dat de verdachte in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994 handelde door niet mee te werken aan het ademonderzoek.

Gelet op de ernst van het feit, de recidive van de verdachte en de draagkracht, legde het hof een geldboete van €850,- op, te voldoen in termijnen, en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 10 maanden. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht met deze strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €850,- en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 10 maanden wegens weigering ademonderzoek.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003346-19
datum uitspraak: 16 juli 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 9 september 2019 in de strafzaak onder parketnummer 96-067803-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 22 maart 2019 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewijsoverweging en strafoplegging komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat de verdachte fysiek niet in staat was om zijn medewerking aan de ademanalyse te voltooien en dat hij derhalve geen opzet had op het niet voldoen aan het bevel om aan het ademonderzoek medewerking te verlenen.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte is op het gebruik van alcohol gecontroleerd, omdat hij slingerend over de openbare weg reed. Nadat de verdachte tot stoppen was gebracht, is hij onderworpen aan een voorlopig ademonderzoek. Tijdens deze ademtest blies de verdachte een ‘A’, waardoor de gerechtvaardigde verdenking is ontstaan dat de verdachte onder invloed van alcohol een personenauto bestuurde. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is gerelateerd en daarmee in beginsel vast komen te staan dat de verdachte vervolgens niet heeft meegewerkt aan de ademanalyse, terwijl hem daartoe meermalen gelegenheid en bevel is gegeven.
Ter terechtzitting heeft de raadsman medegedeeld dat de verdachte medische problemen had, waardoor hij niet in staat was om de ademanalyse af te leggen. Deze bewering mist echter feitelijke grondslag, nu de verdachte, toen hij ter terechtzitting op 2 juli 2020 door het hof werd gevraagd naar de reden van het ‘out gaan’, heeft verklaard dat hij out is gegaan ‘door de hele manier van behandelen’ door de verbalisanten. Gelet daarop is niet aannemelijk geworden dat een medische oorzaak de reden was voor het niet meewerken aan de ademanalyse door de verdachte. Anders dan door de verdediging is bepleit, concludeert het hof dat de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet door de camerabeelden in het dossier wordt weerlegd.
Het hof is dan ook van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen..

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 maart 2019 te Alkmaar als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1.
Een proces-verbaal ter zake artikel 8 WVW Pro 1994 met nummer 220320190138122369 van 22 maart 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van voornoemde verbalisanten:
Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb op 22 maart 2019 om 01.38 gezien dat de verdachte als bestuurder met een personenauto over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, zijnde de Willibrordusweg te Heiloo, heeft gereden. Om 01.39 uur was het eerste contact. Ik nam waar dat de adem van de verdachte rook naar alcohol, dat zijn ogen bloeddoorlopen waren, dat hij met een dubbele tong sprak en dat hij onvast ter been was. Om 01.40 uur heb ik de verdachte gevorderd aan een ademtest mee te werken. Het resultaat daarvan was “A”.
2.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2019053845-2 van 22 maart 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren[verbalisant 2] en [verbalisant 1].Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van voornoemde verbalisanten:
De verdachte die ik, verbalisant [verbalisant 1], op 22 maart 2019 op de Willibrordusweg te Heiloo om 01.40 heb gevorderd een ademtest af te leggen en die “A” blies, is [verdachte], geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats]. Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], hebben de verdachte aangehouden en overgebracht naar het politiebureau te Alkmaar. Ik, verbalisant [verbalisant 1], vorderde de verdachte om 02.05 uur mee te werken aan de ademanalyse. De verdachte weigerde de ophoudkamer uit te komen. Ik hoorde hem zeggen: “ik wil water, ik wil water”. De verdachte bleef weigeren de ophoudkamer uit te komen. Hierop heb ik hem opgetild en neergezet in de kamer van het ademanalyseapparaat. Ik zag dat de verdachte op de grond ging liggen. Ik hoorde dat hij bleef roepen dat hij water wilde. Hierop heb ik de verdachte weer in de ophoudkamer geplaatst. Omstreeks 02.10 uur hoorde wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dat de hulpofficier van justitie [verbalisant 3] de verdachte nogmaals vorderde mee te werken aan de ademanalyse. Wij zagen dat de verdachte kruipend over de gang naar de kamer van de ademanalysekamer kroop. Ik, verbalisant [verbalisant 1], bood het mondstuk aan de verdachte aan en ik zag dat hij op handen en knieën bleef staan en blies. Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], zagen dat [verdachte] op de grond ging liggen en niet meer bewoog. Wij zagen dat [verdachte] nergens meer op reageerde. Wij hebben meermaals aangegeven dat [verdachte] nogmaals moest blazen. Ook hebben wij meermaals aangegeven dat als hij nu niet ging blazen, dat het een weigering zou worden. Wij hebben de verdachte weer de ophoudkamer in getild. Wij zagen dat [verdachte] op het bankje ging zitten.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 850,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 10 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 850,00 te betalen in 8 maandelijkse termijnen van € 100,00 en een maandelijkse termijn van € 50,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van
10 maanden met een proeftijd van 2 jaar.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft niet meegewerkt aan een ademanalyse waartoe hij gehouden was, nadat hij volgens de voorlopige ademtest mogelijkerwijs alcohol had gedronken en hij door de verbalisanten gevorderd was medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. De verplichting gevolg te geven aan een dergelijk bevel bestaat ter bevordering van de verkeersveiligheid, die in gevaar wordt gebracht als onder invloed van alcohol aan het verkeer wordt deelgenomen. Door het weigeren mee te werken aan een ademanalyse negeert de verdachte een door het bevoegd gezag genomen besluit. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 juni 2020 heeft hij eenmaal eerder voor het rijden onder invloed een strafbeschikking gekregen, welke onherroepelijk is geworden, hetgeen in zijn nadeel weegt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting die zijn neergelegd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Op basis van deze oriëntatiepunten acht het hof de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde geldboete van € 850,00 passend. Vanwege de beperkte draagkracht van de verdachte zal hij deze geldboete in termijnen mogen betalen. Daarnaast is ook een ontzegging van de rijbevoegdheid van 10 maanden passend. Anders dan de politierechter en de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om de rijontzegging (deels) voorwaardelijk op te leggen, omdat dat geen recht doet aan de ernst van het feit en aan de recidive.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van € 850,00 en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 10 maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 850,00 (achthonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
17 (zeventien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de
geldboetemag worden voldaan in
8 (acht) termijn(en)van
1 maand, groot
€ 100,00 (honderd euro) en 1 (één) termijn(en)van
1 maand, groot
€ 50,00 (vijftig euro).
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
10 (tien) maanden.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van Pro die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. H.S.G. Verhoeff en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
16 juli 2020.
mr. J. Piena en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.
=========================================================================
[…]