Op 10 mei 2018 mishandelde de verdachte te Bergen een persoon door hem met een vuist tegen het gezicht te slaan, wat resulteerde in letsel zoals een zwelling, hersenschudding en losse tanden. De verdachte stelde zich in hoger beroep op het standpunt van noodweer, stellende dat hij zich verdedigde tegen een onmiddellijke dreiging. Het hof verwierp dit verweer op basis van verklaringen van meerdere getuigen en het slachtoffer, die het incident op straat bevestigden en de gedragingen van de verdachte als agressief omschreven.
Het hof achtte het bewezen dat de verdachte het slachtoffer mishandelde door hem tegen het gezicht te stompen en sprak hem vrij van overige tenlasteleggingen. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde werd bevestigd. De rechtbank had een geldboete van €750 opgelegd, de advocaat-generaal eiste €1500, maar het hof handhaafde de boete van €750 gezien de ernst van het feit, de omstandigheden en de persoonlijke situatie van de verdachte.
De benadeelde partij had een vordering tot immateriële schadevergoeding van €700 ingediend, welke door het hof werd toegewezen. Er werd geen sprake geacht van eigen schuld van het slachtoffer. De wettelijke rente werd vastgesteld vanaf de datum van het incident. Het hof bepaalde tevens een gijzelingstermijn van maximaal 14 dagen bij niet-betaling. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.