Anders dan [X] Nieuw is het hof echter van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat een levering krachtens geldige titel heeft plaatsgevonden. Het contract is ongedateerd en ook uit de tekst ervan volgt ten aanzien van de datum van totstandkoming van de daarin neergelegde koopovereenkomst niet meer dan dat partijen het contract aan de akte van 7 oktober 2015 zullen hechten, hetgeen doet vermoeden dat de schriftelijke vastlegging pas na de totstandkoming van de cessieakte heeft plaatsgevonden. Onder die omstandigheden kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden vastgesteld wanneer de in het contract bevestigde, kennelijk mondeling aangegane, koopovereenkomst tussen [X] Oud en [X] Nieuw tot stand is gekomen en dus ook niet dat die eerder dan, althans gelijk met de cessieakte tot stand is gekomen.
Weliswaar kan uit de cessieakte zelf worden afgeleid dat zowel [X] Oud als [X] Nieuw instemden met de overdracht, maar niet kan eruit worden afgeleid dat deze partijen reeds waren overeengekomen dat [X] Nieuw de vordering van [X] Oud kocht, laat staan dat deze koop geschiedde voor de in het contract genoemde koopprijs.
Ten aanzien van de gestelde mondelinge koopovereenkomst is het volgende van belang. Reeds bij gelegenheid van de comparitie van partijen op 18 mei 2016 is uitdrukkelijk betwist dat aan de gestelde cessie, gedateerd 7 oktober 2015, een geldige titel ten grondslag lag (zie rov. 2.5). Blijkens het proces-verbaal van comparitie heeft [X] Nieuw deze betwisting [X] weersproken door een beroep te doen op de mondelinge koopovereenkomst tussen [X] Oud en [X] Nieuw , inhoudende, zoals volgt uit de schriftelijke vastlegging, dat [X] Oud haar onderhavige vorderingen verkoopt aan [X] Nieuw met als tegenprestatie dat [X] Nieuw een bedrag gelijk aan 80% van hetgeen zij incasseert op de aan haar overgedragen vorderingen aan [X] Oud betaalt. Dit had voor de hand gelegen en een deugdelijke verklaring ontbreekt waarom op de comparitie van partijen geen beroep is gedaan op deze mondelinge koopovereenkomst.
Bovendien is de geldigheid van de cessie in hoger beroep nogmaals door [geïntimeerde sub 1] en geïntimeerden 2 t/m 7, 9 t/m 12 en 14 uitdrukkelijk aan de orde gesteld, terwijl op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep het desbetreffende verweer van [geïntimeerde sub 13] opnieuw moet worden behandeld (zie rov. 2.7). [X] Nieuw verwijst in haar akte na tussenarrest (van 5 juni 2018) voor de titel van de overdracht zonder enige toelichting enkel naar het als productie 27 overgelegde contract. In de antwoordakte na tussenarrest van geïntimeerden 2 t/m 7, 9 t/m 12 en 14 wordt opnieuw het titelgebrek aan de orde gesteld (zie rov. 2.10), maar [X] Nieuw reageert daarop niet in haar daaropvolgende akte (van 31 juli 2018). [X] Nieuw heeft aldus meerdere gelegenheden in hoger beroep onbenut gelaten om gemotiveerd toe te lichten dat de mondelinge koopovereenkomst tussen [X] Oud en [X] Nieuw zoals hiervoor nader omschreven voor of gelijk met de cessieakte tot stand is gekomen.
Bij deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding om [X] Nieuw nogmaals in de gelegenheid te stellen om de rechtsgeldigheid van de door haar gestelde cessie nader te onderbouwen. Zij heeft bovendien geen (gespecificeerd) bewijsaanbod ter zake dit geschilpunt gedaan, zodat ook aan bewijslevering niet wordt toegekomen. Het voorgaande betekent dat er van moet worden uitgegaan dat ten tijde van de mededeling van de cessie aan de eis van een geldige titel bij levering niet was voldaan.