ECLI:NL:GHAMS:2020:2623
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ABN AMRO wegens ontbreken kredietovereenkomst in geding
ABN AMRO is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter Amsterdam waarin haar vordering tot betaling van een doorlopend krediet werd afgewezen. De kredietovereenkomst betrof een doorlopend krediet van maximaal € 25.000, verstrekt aan geïntimeerde, met maandelijkse termijnen van € 375. ABN AMRO stelde dat geïntimeerde meerdere termijnen niet had betaald en dat het saldo was opgeëist.
De kantonrechter oordeelde dat geïntimeerde vermoedelijk consument was en dat ABN AMRO onvoldoende had onderbouwd of zij de kredietwaardigheid had getoetst en of de overeenkomst voldeed aan de dwingendrechtelijke bepalingen van de Wet op het consumentenkrediet en Boek 7 Titel 2A BW. Ook ontbrak het aan bewijs van een geldig opeisingsbeding en werd niet duidelijk of sprake was van een oneerlijk beding.
Het hof bevestigt dat de kredietovereenkomst noodzakelijk is voor beoordeling van de vordering. Omdat ABN AMRO deze overeenkomst niet in het geding heeft gebracht, kan het hof niet toetsen aan de relevante wettelijke bepalingen. De vordering wordt daarom terecht afgewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van ABN AMRO af omdat de kredietovereenkomst niet in het geding is gebracht.