ECLI:NL:GHAMS:2020:2761
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken bewijs van wederrechtelijke toe-eigening steigermaterialen
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een maand gevangenisstraf voor verduistering van steigermaterialen die hij had gehuurd maar niet had geretourneerd of volledig betaald. Na hoger beroep vernietigde het hof het vonnis en veroordeelde verdachte opnieuw tot dezelfde straf. De zaak kwam na cassatie terug bij het hof.
Uit het dossier bleek dat verdachte de steigermaterialen onder eigen naam had gehuurd en een deel van de huur contant had betaald. Na afloop van de huurperiode werden de materialen niet teruggegeven en was het resterende bedrag niet voldaan. Verdachte verklaarde dat de materialen kort na aanvang van de huur waren gestolen.
Het hof oordeelde dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte als heer en meester over de goederen had beschikt en zich deze wederrechtelijk had toegeëigend. Het niet melden van diefstal en het niet betalen van het resterende bedrag waren onvoldoende om opzet tot verduistering aan te nemen. Daarom sprak het hof verdachte vrij. De civiele vordering tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de strafrechtelijke schuld ontbrak.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verduistering wegens ontbreken bewijs van wederrechtelijke toe-eigening.