ECLI:NL:GHAMS:2020:2974
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot opheffing voorlopige hechtenis wegens onjuiste feitelijke grondslag
Verdachte is in voorlopige hechtenis gesteld in twee zaken, 13Afleider en 13Riverton. De rechtbank had de voorlopige hechtenis in de zaak 13Riverton afgewezen, waarop verdachte hoger beroep instelde.
De raadsman betoogde dat het laatste bevel tot voorlopige hechtenis (zaak 13Riverton) prevaleert en dat het Openbaar Ministerie niet bevoegd is om dit bevel niet uit te voeren, waardoor het stelsel van periodieke toetsing wordt omzeild. De advocaat-generaal stelde primair niet-ontvankelijkheid voor en subsidiair dat de Minister van Justitie de tenuitvoerlegging bepaalt zonder rangorde tussen bevelen.
Het hof constateerde dat de rechtbank uitging van een onjuiste feitelijke grondslag door een gevangenisstraf te veronderstellen terwijl het om voorlopige hechtenis gaat. Het hof verwierp het primaire standpunt van de advocaat-generaal en oordeelde dat de strafrechter niet bevoegd is om te oordelen over onrechtmatige tenuitvoerlegging; dit is een civielrechtelijke kwestie. Daarom verklaarde het hof verdachte niet-ontvankelijk en vernietigde de beschikking van de rechtbank.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot opheffing van voorlopige hechtenis.