Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
- [A] (hierna: [kind A] );
- [B] (hierna: [kind B] ).
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2003 gehuwd en in 2013 gescheiden. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, die bij de echtscheiding bij de vader zijn geplaatst. De moeder en kinderen hadden een omgangsregeling onder begeleiding, maar deze is slechts enkele malen uitgevoerd. In 2018 werd het gezag van de moeder tijdelijk geschorst en aan de vader toegekend, waarna de Raad voor de Kinderbescherming een rapport uitbracht met voorwaarden voor voortzetting van het gezamenlijk gezag.
De moeder was sinds jaren niet betrokken bij de verzorging en opvoeding van de kinderen en had geen contact met hen. De kinderen wilden geen contact meer met de moeder. De moeder is bezig met psychische hulpverlening, maar heeft recent contact met politie en justitie gehad, wat het hof meeweegt. De vader oefent feitelijk het gezag alleen uit en onderhoudt de communicatie met de moeder.
Het hof oordeelt dat het gezamenlijk gezag niet meer in het belang van de kinderen is, omdat de ouders niet (meer) communiceren en de moeder niet voldoet aan de voorwaarden. Het gezag wordt aan de vader toegekend. De moeder wordt aangemoedigd een brief aan de kinderen te schrijven om contactherstel mogelijk te maken. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en de verzoeken van de moeder worden afgewezen.
Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het gezag wordt aan de vader toegekend.