ECLI:NL:GHAMS:2020:3080
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging gezamenlijk gezag en toekenning gezag aan moeder in het belang van minderjarige kinderen
In deze zaak stond de vraag centraal of het gezamenlijk gezag over twee minderjarige kinderen moest worden beëindigd en het gezag exclusief aan de moeder moest worden toegekend. De ouders waren gescheiden en oefenden tot dan toe gezamenlijk gezag uit. De rechtbank had reeds besloten het gezag aan de moeder toe te kennen, waartegen de vader in hoger beroep ging.
De vader voerde aan dat er geen onaanvaardbaar risico bestond dat de kinderen klem zouden raken tussen de ouders en dat verbetering mogelijk was. De moeder stelde dat de vader zich onbetrouwbaar gedroeg, communicatie vrijwel onmogelijk was en hij nauwelijks betrokken was bij de kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het gezamenlijk gezag te handhaven met begeleiding.
Het hof constateerde ernstige communicatieproblemen en onvoldoende regie bij de vader, mede door zijn psychische en financiële problematiek. De feitelijke situatie was dat de moeder alle belangrijke beslissingen nam. Het hof oordeelde dat beëindiging van het gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk was en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.
Het hof benadrukte dat het gezag niet het vaderschap ontneemt en moedigde aan tot open communicatie en het aanstellen van een onafhankelijke vertrouwenspersoon voor de kinderen. De uitspraak werd op 17 november 2020 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het gezag wordt exclusief aan de moeder toegekend.