ECLI:NL:GHAMS:2020:309
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep partneralimentatie en verdeling huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding
Partijen zijn in 1988 gehuwd en hun huwelijk is op 11 juli 2019 ontbonden. De rechtbank had de partneralimentatie vastgesteld op € 513 bruto per maand, terwijl de vrouw een bedrag van € 2.500,- per maand vorderde. Het geschil betrof met name de verdiencapaciteit van de vrouw en de draagkracht van de man.
De vrouw voerde aan dat haar beperkte opleiding, psychische en medische problemen en leeftijd haar verdiencapaciteit beperken, terwijl de man stelde dat zij wel kan werken en een hogere verdiencapaciteit heeft. Het hof oordeelde dat de vrouw in staat moet worden geacht om circa 25 uur per week te werken tegen € 11 per uur, wat een bruto verdiencapaciteit van ongeveer € 1.000 per maand oplevert. De aanvullende behoefte werd vastgesteld op € 1.418 bruto per maand.
De man heeft een belastbaar jaarinkomen van € 62.000 en een huurlast van € 1.000 per maand, welke door het hof werd aanvaard. De man kon daardoor volledig in de aanvullende behoefte van de vrouw voorzien. Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover deze de alimentatie betrof en stelde de alimentatie vast op € 1.418 bruto per maand met ingang van 11 juli 2019.
Verder werd de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bekrachtigd, waarbij de creditcardschuld van circa € 2.006,88 per peildatum door partijen gelijk werd verdeeld. De door de man gestelde lening van € 4.000,- van zijn vader werd niet bewezen geacht en bleef buiten verdeling. De overige verzoeken werden afgewezen.
Uitkomst: De man is verplicht vanaf 11 juli 2019 maandelijks € 1.418 bruto partneralimentatie aan de vrouw te betalen.