ECLI:NL:GHAMS:2020:3105
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen bewijs van overeenkomst van geldlening wegens ontbreken uitvoering
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of tussen partijen een overeenkomst van geldlening was gesloten waarop een vordering kon worden gebaseerd. De appellant betwistte het bestaan van een dergelijke overeenkomst en stelde dat het bedrag nooit aan hem was betaald.
De kantonrechter had eerder geoordeeld dat de akte met de overeenkomst van geldlening dwingend bewijs vormde, mede op basis van een deskundigenbericht over de echtheid van handtekeningen. Het hof oordeelde echter dat de akte geen bewijs oplevert omdat de lening nooit is verstrekt en partijen ook niet de bedoeling hadden de overeenkomst uit te voeren.
Daarmee is de grondslag van de vordering komen te vervallen. Het hof vernietigde de eerdere vonnissen, wees de vordering af en veroordeelde de geïntimeerde tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen met wettelijke rente en in de kosten van het geding.
Het hof ging niet in op de grieven over de vermeende valsheid van handtekeningen omdat de inhoud van de akte niet overeenkomt met de werkelijke afspraken. Het bewijsaanbod van de geïntimeerde werd gepasseerd wegens gebrek aan concrete stellingen die tot een andere beslissing konden leiden.
Uitkomst: Het hof vernietigt de eerdere vonnissen en wijst de vordering af omdat de overeenkomst van geldlening niet tot stand is gekomen.