ECLI:NL:GHAMS:2020:3170

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 oktober 2020
Publicatiedatum
23 november 2020
Zaaknummer
23-000882-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 SrArt. 67 Vreemdelingenwet 2000Art. 66a lid 7 Vreemdelingenwet 2000Art. 422 lid 2 SvArt. 27 lid 2 Richtlijn 2004/38/EU
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken actuele bedreiging bij ongewenstverklaring vreemdeling

In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte, een Ierse onderdaan, op 20 februari 2018 als ongewenst vreemdeling kon worden aangemerkt en daarmee strafbaar was op grond van artikel 197 Sr Pro. Het hof onderzocht of de ongewenstverklaring voldeed aan de eisen van het Unierecht, met name artikel 27, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EU, dat stelt dat maatregelen wegens openbare orde gebaseerd moeten zijn op gedrag dat een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor fundamentele belangen van de samenleving.

De verdachte was op de tenlastegelegde datum nog steeds ongewenst verklaard, maar het hof concludeerde dat hij geen actuele bedreiging vormde. Uit het dossier bleek dat zijn laatste strafrechtelijke veroordeling in Nederland dateerde uit 2012, en dat hij in 2018 slapend tegen een gevel werd aangetroffen zonder aanwijzingen voor actuele bedreiging.

De verdediging en de advocaat-generaal pleitten beiden voor vrijspraak op basis van het Unierecht. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij, omdat niet bewezen kon worden dat hij op dat moment ongewenst was verklaard in de zin van het Unierecht.

Het arrest benadrukt het belang van individuele beoordeling van de actuele bedreiging en bevestigt dat eerdere veroordelingen niet automatisch leiden tot een geldige ongewenstverklaring volgens het Unierecht.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat hij geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor de samenleving.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000882-18
datum uitspraak: 27 oktober 2020
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer
13-701305-18 tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 20 februari 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat het gedrag van de verdachte op het moment dat hij werd aangehouden op 20 februari 2018 geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormde, hetgeen voor een veroordeling van een EU-onderdaan ter zake van artikel 197 Wetboek Pro van Strafrecht (Sr) op grond van rechtsreeks werkende bepalingen van het Unierecht wel vereist is.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken op dezelfde gronden als door de raadsman aangevoerd.
Overwegingen van het hof
Artikel 27, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EU van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden is een rechtstreeks werkende bepaling van het Unierecht. In deze bepaling staat dat de om redenen van openbare orde genomen maatregelen (in dit geval: de ongewenstverklaring) uitsluitend gebaseerd mogen zijn op het gedrag van de betrokkene. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen.
Op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie mag een bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving niet automatisch worden vastgesteld op basis van een eerdere strafrechtelijke veroordeling voor specifieke strafbare feiten. De omstandigheden die tot die veroordeling hebben geleid, kunnen wel in aanmerking worden genomen om een dergelijke vaststelling te rechtvaardigen, voor zover na een onderzoek van het individuele geval blijkt dat er sprake is van een persoonlijke gedraging die een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.
Vast staat dat de ongewenstverklaring op de tenlastegelegde datum, 20 februari 2018, nog van kracht was.
Het hof dient te onderzoeken of de ongewenstverklaring
op dat momentin strijd was met rechtstreeks werkende bepalingen van Unierecht. Met de raadsvrouw en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat dit het geval is.
In onderhavig geval blijkt uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting geenszins dat de verdachte, die de Ierse nationaliteit bezit, ten tijde van het tenlastegelegde nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving.
Daarbij neemt het hof in aanmerking dat blijkens het op zijn naam gesteld Uittreksel Justitiële Documentatie van 28 september 2020 de verdachte in Nederland voor het laatst in 2012 strafrechtelijk is veroordeeld. Hieruit kan derhalve niet worden afgeleid dat de verdachte op 20 februari 2018, toen hij in Amsterdam slapend tegen een gevel werd aangetroffen, (nog steeds) een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving. Ook overigens is het hof niet gebleken van feiten en omstandigheden die een dergelijke verstrekkende conclusie rechtvaardigen. Nu gelet op het voorgaande niet bewezen kan worden geacht dat de verdachte op de ten laste gelegde datum “op grond van een wettelijk voorschrift” ongewenst was verklaard, dient de verdachte te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. F.M.D. Aardema en mr. J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van S. Abelsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 oktober 2020.
mr. P.F.E. Geerlings is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.