ECLI:NL:GHAMS:2020:3296

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 november 2020
Publicatiedatum
9 december 2020
Zaaknummer
23-002596-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 57 Sr
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling winkeldiefstal en poging tot oplichting met voorwaardelijke gevangenisstraf

In hoger beroep is de verdachte veroordeeld voor meerdere feiten van winkeldiefstal en een poging tot oplichting. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken. Het hof bevestigt het vonnis van de politierechter voor zover het gaat om de bewezenverklaarde feiten, maar vernietigt de opgelegde straf.

De verdediging voerde aan dat de poging tot oplichting ondeugdelijk was omdat een medewerker van de winkel op de hoogte was van de intenties van de verdachte. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat het treffen van een medewerker die de handelwijze doorziet niet uitsluit dat sprake is van poging tot oplichting.

Het hof hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn harddrugsverslaving en de positieve veranderingen in zijn leven, zoals het stoppen met drugsgebruik en het verrichten van vrijwilligerswerk. Gezien deze omstandigheden acht het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar passend en geboden, met een proeftijd waarbinnen bij recidive de straf ten uitvoer kan worden gelegd.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar met een proeftijd.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002596-19
datum uitspraak: 2 december 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2019 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-096200-19 en 13-117673-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
18 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Niet-ontvankelijkheid t.a.v. vrijspraak

Het hof begrijpt de tenlastelegging onder 1. in de zaak met parketnummer 13-096200-19 zo, dat bedoeld is de diefstal van ‘een of meer flessen wijn’ cumulatief ten laste te leggen. De verdachte is vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging. Voor zover het ingestelde hoger beroep ziet op deze vrijspraak is de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover in hoger beroep aan de orde - en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat zal worden ingegaan op een in hoger beroep gevoerd verweer.

Bespreking verweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter zitting ter zake van het ten laste gelegde onder 2. in de zaak met parketnummer 13-096200-19 aangevoerd dat geen sprake kan zijn van oplichting, nu de medewerker van de winkelketen wetenschap had van de intenties van de verdachte. De poging tot oplichting moet daarom als absoluut ondeugdelijk worden aangemerkt.
Het hof verwerpt dit verweer. Het bij toeval treffen van een medewerker die bekend is met de handelwijze van de verdachte op dit punt en daarom zijn bedoeling doorziet, maakt het gebruikte middel niet absoluut ondeugdelijk – de verdachte had immers ook een medewerker kunnen treffen die van niets wist - en staat aan een veroordeling ter zake van poging tot oplichting dan ook niet in de weg.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich meermaals schuldig gemaakt aan winkeldiefstal en eenmaal aan een poging tot oplichting. Met zijn handelswijze heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de betreffende winkelbedrijven en schade toegebracht dan wel geprobeerd toe te brengen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 november 2020 is hij eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld.
Ter zitting heeft de verdachte verteld dat zijn strafbare gedragingen met name werden ingegeven door financiële en sociale problemen die voortvloeiden uit zijn harddrugsverslaving. Hij zegt inmiddels, na jaren van gebruik, al 16 maanden lang geen harddrugs meer te hebben gebruikt en aan zijn financiële en sociale omstandigheden te werken. Zo heeft hij na lange tijd weer contact met zijn familie, draagt hij de mantelzorg voor zijn partner en verricht hij vrijwilligerswerk. Binnenkort zal hij beginnen met een bewindvoeringstraject. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou wat hij tot nu toe heeft bereikt doorkruisen. De positieve wending die de verdachte aan zijn leven heeft gegeven en die door hem ter terechtzitting is beschreven, wordt bevestigd door de voortgangsrapportage van de reclassering van 9 november 2020. De oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is in die omstandigheden contraproductief en zou de prijzenswaardige veranderingen die de verdachte in zijn leven heeft gebracht mogelijk zelfs tenietdoen.
Het hof acht daarom, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Mocht de verdachte zich gedurende de daaraan te verbinden proeftijd toch weer schuldig maken aan een strafbaar feit, dan zal de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf naast de oplegging van een nieuwe straf alsnog gelast kunnen worden. Het hof gaat er van uit dat de verdachte daarvan voldoende doordrongen is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 310 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van de in de zaak met parketnummer 13-096200-19 onder 1. ten laste gelegde diefstal van een of meer flessen wijn.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover in hoger beroep aan de orde - ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep – voor zover in hoger beroep aan de orde - voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. van Die, mr. P.C. Römer en mr. J.L. Bruinsma, in tegenwoordigheid van
mr. A.S. de Bruin, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
2 december 2020.
Mr. van Die is buiten staat het arrest mede te ondertekenen
=========================================================================
[…]