ECLI:NL:GHAMS:2020:3441

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2020
Publicatiedatum
17 december 2020
Zaaknummer
23-004410-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs openlijke geweldpleging en mishandeling te Hoorn

Op 6 november 2016 vond te Hoorn een vechtpartij plaats tussen twee vriendengroepen waarbij verdachte betrokken was. De politie trof twee vechtende jongens en een gewonde benadeelde aan. De benadeelde deed later aangifte via zijn moeder vanwege ernstig letsel, waaronder een gebroken kaak en blijvende gebitsschade.

In eerste aanleg werd verdachte veroordeeld, maar zowel verdachte als het openbaar ministerie gingen in hoger beroep. Het hof onderzocht het bewijs en constateerde dat het slachtoffer zelf nooit een verklaring heeft afgelegd en dat de politie ter plaatse weinig details noteerde. Getuigenverklaringen waren tegenstrijdig over de toedracht en betrokkenheid van verdachte.

Het hof oordeelde dat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat verdachte het ten laste gelegde feit had gepleegd. Daarom sprak het hof verdachte vrij. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte niet schuldig was bevonden. Beide partijen dragen hun eigen kosten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en de schadevordering wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004410-17
datum uitspraak: 16 december 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 december 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-038591-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
2 december 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op 6 november 2016 te Hoorn, gemeente Hoorn, te weten op of aan de openbare weg, in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, Wabenstraat en/of Holenweg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] welk geweld bestond uit
- het meermalen slaan/stompen in het gezicht en/of
- ( vervolgens) die [benadeelde] in een nekklem te nemen en/of bij de nek vast te houden en/of
- ( vervolgens) meermalen slaan en/of trappen en/of schoppen tegen het lichaam van die [benadeelde],
waarbij hij, verdachte, die [benadeelde], een (harde) vuistslag heeft gegeven op/tegen de kaak en/of in het gezicht en welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (een (op twee plaatsen) gebroken kaak en/of (blijvende) gebitsschade, althans enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 november 2016 te Hoorn, [benadeelde] heeft mishandeld door meerdere malen althans eenmaal met gebalde vuist op/tegen de kaak en/of het gezicht te slaan en/of te stompen en/of (vervolgens) die [benadeelde] in een nekklem te nemen en/of bij/aan/ het hoofd en/of nek vast te houden en/of vast te grijpen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een (op twee plaatsen) gebroken kaak en/of (blijvende) gebitsschade ten gevolge heeft gehad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken met een proeftijd van twee jaren.

Vrijspraak

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat op 6 november 2016 te Hoorn een vechtpartij heeft plaatsgevonden waarbij na een uitgaansavond twee vriendengroepen tegenover elkaar kwamen te staan, en waarbij meerdere personen betrokken waren, waaronder de verdachte. Op het moment dat de politie arriveerde troffen zij twee vechtende jongens aan die op de grond lagen. Voorts troffen zij [benadeelde] aan die gewond was aan zijn mond. Verbalisant [verbalisant] vroeg aan [benadeelde] wie hem had geslagen. [benadeelde] zei dat hij door een jongen met oorbellen was geslagen. [verbalisant] wees vervolgens een jongen met een lichtkleurige ronde knop in zijn oren aan en vroeg [benadeelde] of hij die jongen bedoelde. Op het moment dat [verbalisant] met deze jongen praatte werd hij op zijn schouder getikt en hoorde [verbalisant] dat dit de verkeerde persoon zou zijn. [verbalisant] liep vervolgens weer naar [benadeelde] toe en vroeg wie hem nou geslagen had. [benadeelde] wees vervolgens een andere persoon dan die met de oorbellen aan.
Nadat beide partijen aangaven geen aangifte te willen doen, heeft de politie de partijen gescheiden en naar huis gestuurd. Er zijn de betreffende nacht geen verklaringen opgenomen.
Op 10 november 2016 heeft de moeder van [benadeelde] namens haar zoon aangifte gedaan omdat hij vanwege zijn (nadien gebleken) ernstige letsel op dat moment niet zelf in staat was aangifte te doen. Het hof stelt vast dat het slachtoffer op geen enkel moment zelf een verklaring heeft afgelegd, noch zijn hem door de politie vragen gesteld over het gebeuren. Voorts stelt het hof vast dat ook de betreffende verbalisanten weinig tot geen details van het incident hebben genoteerd noch de betrokken partijen hebben ondervraagd. De in een later stadium opgenomen getuigenverklaringen staan lijnrecht tegenover elkaar wat betreft de aanleiding van de ruzie, de eerste uitgedeelde klap en het gebeuren nadien. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.107,82, bestaande uit € 1.607,82 aan materiële schade en € 2.500 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het primair en subsidiair tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. P. Greve en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van
mr. A. Ivanov, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
16 december 2020.
=========================================================================
[…]