Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten en procesverloop
3.Beoordeling
.
Gerechtshof Amsterdam
Appellant, een fiscaal econoom, vorderde in hoger beroep tegen ABN AMRO vergoeding wegens vermeende schending van de bijzondere zorgplicht bij het verstrekken van een maatwerkhypotheek in 2007. Hij stelde dat sprake was van overkreditering en dat hij onder invloed van dwaling de leningsovereenkomst was aangegaan.
Het hof stelde vast dat ABN AMRO bij het bepalen van het toetsinkomen was uitgegaan van door appellant verstrekte gegevens, zonder dat sprake was van kenbare onjuistheden. De kredietverstrekking werd verantwoord geacht, mede omdat appellant en zijn ex-echtgenote een vrij besteedbaar inkomen hadden en de woning die zij aanhielden niet verkocht werd, wat de financiële situatie nadelig beïnvloedde.
Het hof oordeelde dat ABN AMRO niet in strijd met haar bijzondere zorgplicht had gehandeld, mede gelet op de kennis van appellant en het ontbreken van een causaal verband tussen een eventuele zorgplichtschending en de schade. Het beroep op dwaling faalde omdat appellant voldoende informatie had ontvangen om de leningsovereenkomst bewust aan te gaan.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de kosten van het geding in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het beroep van appellant af wegens geen schending van zorgplicht en geen dwaling.