ECLI:NL:GHAMS:2020:3677

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
29 december 2020
Publicatiedatum
5 januari 2021
Zaaknummer
23-002690-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 172 GemeentewetArt. 177 GemeentewetArt. 2.9 Algemene Plaatselijke Verordening 2008Art. 14a SrArt. 14b Sr
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens opzettelijk niet voldoen aan ambtelijk bevel met voorwaardelijke gevangenisstraf

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld wegens het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel. De verdachte had zich op 12 juni 2019 niet gehouden aan een door de burgemeester van Amsterdam opgelegd gebiedsverbod in het centrum en ondergrondse metrostations.

Het hof achtte het bewezen dat de verdachte zich niet uit het overlastgebied heeft verwijderd en zich daar gedurende drie maanden niet heeft bevonden, zoals hem was bevolen. Andere tenlasteleggingen werden niet bewezen verklaard. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte werd bevestigd.

Hoewel de politierechter een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden oplegde, heeft het hof rekening gehouden met positieve persoonlijke ontwikkelingen van de verdachte, zoals afkicken van verdovende middelen, het afronden van een opleiding, het behalen van een rijbewijs en het hebben van een verblijfplaats en werk in Nederland. Daarom legde het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden op met een proeftijd van twee jaar, om recidive te voorkomen en de verdachte te stimuleren op het goede pad te blijven.

Het hof benadrukte de ernst van het feit en het belang van naleving van besluiten van het bevoegde gezag ter handhaving van de openbare orde. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 29 december 2020.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar wegens het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002690-19
datum uitspraak: 29 december 2020
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-140281-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985,
zonder vaste- woon of verblijfplaats,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
15 december 2020.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 12 juni 2019 te 07:55 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en Pro/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied 1 Centrum en ondergrondse metrostations, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij, op 12 juni 2019 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, door de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende – zakelijk weergegeven – om zich uit het overlastgebied 1 Centrum te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
De raadsvrouw heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht rekening te houden met de positieve ontwikkelingen in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en aan hem in dat kader een taakstraf, met daarnaast eventueel een voorwaardelijke straf, op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het negeren van een gebiedsverbod, uitgevaardigd door de burgemeester van Amsterdam. Door zo te handelen heeft hij er blijk van gegeven zich niets gelegen te laten liggen aan een besluit van het bevoegde gezag, dat is genomen met het oog op handhaving van de openbare orde in het betreffende gebied.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 november 2020 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld wegens (soortgelijke) misdrijven hetgeen het hof meeweegt in het nadeel van de verdachte voor zover deze veroordelingen onherroepelijk waren ten tijde van het plegen van het feit.
Een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf, zoals door de rechter in eerste aanleg is opgelegd, is naar het oordeel van het hof dan ook in beginsel passend te achten.
Het hof houdt, in het voordeel van de verdachte, echter rekening met zijn persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte en diens raadsvrouw naar voren zijn gebracht. Na zijn uitzetting vanuit Nederland naar Polen op 27 oktober 2019 is de verdachte afgekickt van het gebruik van verdovende middelen. Daarnaast heeft hij zijn opleiding afgerond, en heeft hij zijn rijbewijs behaald. De verdachte is inmiddels weer teruggekeerd naar Nederland. In Nederland beschikt de verdachte over een verblijfplaats die hij via AMOC heeft geregeld en hij werkt via een uitzendbureau. Aangenomen mag worden dat deze positieve ontwikkelingen de recidivekans verlagen.
Het hof acht het, mede met het oog op het voorkomen van recidive van belang dat deze positieve ontwikkelingen niet worden doorkruist door een straf die meebrengt dat de verdachte gedetineerd raakt. Met oplegging van de na te noemen straf benadrukt het hof de ernst van het feit en beoogt het de verdachte te doordringen van de noodzaak zich in de toekomst verre te houden van het plegen van strafbare feiten en hem te stimuleren om op het goede pad te blijven.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
In het voorgaande ligt besloten dat het hof, met name gelet op de ernst van het feit en de recidive, in hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd geen aanleiding ziet om een lagere straf op te leggen dan de hieronder bedoelde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. C.N. Dalebout en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van
mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
29 december 2020.
mrs. F.M.D. Aardema en M.B. de Wit zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.