De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk invoeren van circa 5466,5 gram cocaïne op 19 september 2019 te Schiphol. Tegen dit vonnis stelde hij hoger beroep in. Het gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd om proceseconomische redenen en heeft de zaak opnieuw beoordeeld.
Het hof acht het bewezen dat de verdachte de genoemde hoeveelheid cocaïne binnen het Nederlandse grondgebied heeft gebracht. De hoeveelheid is van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel, wat een bedreiging vormt voor de volksgezondheid. Er zijn geen omstandigheden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten.
De verdachte was niet eerder voor een soortgelijk feit veroordeeld. Het hof heeft de straf bepaald aan de hand van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte. Gezien de hoeveelheid cocaïne en de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) is een gevangenisstraf van 39 maanden het uitgangspunt. De rechtbank hield rekening met persoonlijke omstandigheden, maar het hof acht een gevangenisstraf van 37 maanden passend en geboden.
De opgelegde straf wordt verminderd met de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, voor zover deze niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Het arrest is uitgesproken op 23 juni 2020 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.