In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland is het bezit van een revolver categorie III bewezen verklaard. De verdachte had het vuurwapen verstopt in een emmer hondenvoer in een hondenkamer, met tien scherpe kogelpatronen waarvan zes in het wapen.
Het hof acht het bezit van dit vuurwapen zeer ernstig vanwege de risico's voor de veiligheid van derden en de gereedheid van het wapen voor gebruik. Daarnaast weegt mee dat de verdachte geen verantwoordelijkheid nam en probeerde zijn voormalige vriendin ten onrechte als verdachte te betrekken.
Ook speelde mee dat de verdachte eerder onherroepelijk voor misdrijven is veroordeeld. Gezien deze omstandigheden acht het hof een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk passend, en wijkt daarmee af van de lagere straf van de politierechter.
Het hof bevestigt het vonnis behalve ten aanzien van de strafoplegging, vernietigt dat deel en legt de hogere straf op. De wettelijke grondslag is gelegen in het Wetboek van Strafrecht en de Wet Wapens en Munitie.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 3 september 2020.