Op 29 november 2015 werd aangifte gedaan van diefstal van een schoudertas met ongeveer €7.000,- contant geld te Amsterdam. De aangeefster en een getuige verklaarden dat drie mannen de tas hadden weggenomen en daarna waren weggereden in een auto met een bepaald kenteken. Ongeveer vijf kwartier later werden de verdachte en medeverdachten aangehouden in een auto met dat kenteken. Tijdens fouillering werden grote geldbedragen aangetroffen bij de verdachte en medeverdachten.
De verdachte en medeverdachten gaven wisselende en tegenstrijdige verklaringen over hun gedragingen en vervoersbewegingen rond het tenlastegelegde feit. Ook de aangeefster en getuige hadden wisselende verklaringen, vooral over de wijze van diefstal en hun aanwezigheid met een groot geldbedrag. Er was geen onafhankelijk bewijs dat de verklaringen ondersteunde.
Het hof concludeerde dat ondanks aanwijzingen richting de verdachte en medeverdachten, niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld wat er precies was gebeurd. Hierdoor was het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, wat leidde tot vrijspraak van de verdachte. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen omdat de verdachte niet schuldig was bevonden. Het inbeslaggenomen geldbedrag van €4.143,35 werd aan de verdachte teruggegeven. Tevens werd een eerdere vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf afgewezen.