Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter, waarin zij niet-ontvankelijk was verklaard in haar verzet tegen een strafbeschikking wegens winkeldiefstal bij een zelfscankassa.
Het hof oordeelde dat de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was omdat de raadsman van verdachte tijdig verzet had ingesteld, maar het Openbaar Ministerie dit abusievelijk niet direct had verwerkt. Na inhoudelijke behandeling stelde het hof vast dat verdachte samen met een medeverdachte een hoeveelheid levensmiddelen ter waarde van €86,31 had weggenomen zonder deze te betalen.
De verdediging voerde aan dat verdachte niet wist dat de medeverdachte slechts enkele goederen had gescand, maar het hof achtte dit gezien de omstandigheden en het aantal niet gescande goederen niet aannemelijk. Het hof verklaarde verdachte strafbaar en veroordeelde haar tot een geldboete van €250, die in vijf maandelijkse termijnen van €50 mag worden voldaan.
Het vonnis van de politierechter en de strafbeschikking werden vernietigd en het hof deed zelf recht. De straf is opgelegd rekening houdend met eerdere veroordelingen en de draagkracht van verdachte.