ECLI:NL:GHAMS:2020:4070
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidsvraag bij tenuitvoerlegging deels voorwaardelijke gevangenisstraf
De zaak betreft een vordering tot tenuitvoerlegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf die door het hof Amsterdam in hoger beroep is opgelegd. De veroordeelde is veroordeeld tot 38 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden. De proeftijd liep vanaf 22 februari 2017, maar vanwege voorlopige invrijheidsstelling begon de proeftijd feitelijk op 14 september 2018.
De advocaat-generaal heeft op 10 februari 2020 een vordering ingediend om de voorwaardelijke straf ten uitvoer te leggen, omdat de veroordeelde zich niet aan de bijzondere voorwaarden hield. Het hof heeft de stukken bestudeerd, waaronder reclasseringsadviezen en voortgangsverslagen, en heeft op 7 juli 2020 een openbare zitting gehouden.
De verdediging stelde dat het hof niet bevoegd is om over de tenuitvoerlegging te beslissen op grond van artikel 6:6:1 Sv Pro, dat bepaalt dat het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit bevoegd is. Het hof oordeelde dat het strafbare feit in eerste aanleg bij de rechtbank Noord-Holland is behandeld en dat de vordering na inwerkingtreding van de Wet USB is ingediend. Daarom verklaarde het hof zich onbevoegd en verwees de zaak naar de rechtbank Noord-Holland.
De uitspraak benadrukt de toepassing van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen en de bevoegdheidsverdeling tussen rechtbank en gerechtshof bij tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd tot beslissing over tenuitvoerlegging en verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Holland.