ECLI:NL:GHAMS:2020:634
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot schorsing van overleveringsdetentie wegens geen schending EVRM
De zaak betreft het hoger beroep van een opgeëiste persoon tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam die het verzoek tot schorsing van zijn overleveringsdetentie afwees. Het hof heeft de stukken bestudeerd en de advocaat-generaal en raadsman gehoord.
Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de rechtbank en overweegt dat op grond van artikel 64 van Pro de Overleveringswet schorsing van overleveringsdetentie alleen mogelijk is zolang er nog geen rechterlijke beslissing is over de overlevering. In deze zaak is al een rechterlijke beslissing genomen, zodat schorsing slechts mogelijk is bij een exceptioneel geval van dreigende schending van artikel 5 EVRM Pro.
Het hof oordeelt dat een dergelijk exceptioneel geval niet is aangetoond. De opgeëiste persoon zit in overleveringsdetentie en dit is geen verkapte voorlopige hechtenis in een Nederlandse strafzaak. Ook het beroep op artikel 6 EVRM Pro, dat een grondige voorbereiding van de Nederlandse strafzaak vereist, leidt niet tot schorsing omdat de gestelde schending onvoldoende is onderbouwd en niet aannemelijk is.
Daarom wijst het hof het hoger beroep af en bevestigt de beslissing van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie wordt afgewezen.