ECLI:NL:GHAMS:2020:634

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2020
Publicatiedatum
3 maart 2020
Zaaknummer
13-752149-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 EVRMArt. 6 EVRMArt. 64 OLW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing van overleveringsdetentie wegens geen schending EVRM

De zaak betreft het hoger beroep van een opgeëiste persoon tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam die het verzoek tot schorsing van zijn overleveringsdetentie afwees. Het hof heeft de stukken bestudeerd en de advocaat-generaal en raadsman gehoord.

Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de rechtbank en overweegt dat op grond van artikel 64 van Pro de Overleveringswet schorsing van overleveringsdetentie alleen mogelijk is zolang er nog geen rechterlijke beslissing is over de overlevering. In deze zaak is al een rechterlijke beslissing genomen, zodat schorsing slechts mogelijk is bij een exceptioneel geval van dreigende schending van artikel 5 EVRM Pro.

Het hof oordeelt dat een dergelijk exceptioneel geval niet is aangetoond. De opgeëiste persoon zit in overleveringsdetentie en dit is geen verkapte voorlopige hechtenis in een Nederlandse strafzaak. Ook het beroep op artikel 6 EVRM Pro, dat een grondige voorbereiding van de Nederlandse strafzaak vereist, leidt niet tot schorsing omdat de gestelde schending onvoldoende is onderbouwd en niet aannemelijk is.

Daarom wijst het hof het hoger beroep af en bevestigt de beslissing van de rechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie wordt afgewezen.

Uitspraak

13-752149-19
GERECHTSHOF AMSTERDAM,
MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER
BESCHIKKINGin raadkamer op het hoger beroep in de zaak van
[opgeeiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
wonende te [adres],
thans verblijvende in het huis van bewaring Detentiecentrum Schiphol te Badhoevedorp,
tegen de beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam van 31 januari 2020, voor zover houdende afwijzing van het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon.

De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2020, waarbij namens de opgeëiste persoon hoger beroep is ingesteld tegen voormelde beslissing van die rechtbank.
Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon en heeft gehoord de advocaat-generaal en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. M. Jonk.

De beoordeling

Het hof verenigt zich met de beslissing waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en de gronden waarop deze berust.
Gelet op artikel 64 OLW Pro is een schorsing van de overleveringsdetentie alleen mogelijk zolang er nog geen rechterlijke beslissing is genomen over het toestaan van de overlevering. In casu is wel sprake van een dergelijke beslissing. De regel dat schorsing enkel mogelijk is indien er nog geen rechterlijke beslissing is genomen, lijdt slechts uitzondering indien zich een exceptioneel geval voordoet, waarbij sprake is van een dreigende schending van de rechten gewaarborgd in artikel 5 EVRM Pro. Het hof is van oordeel dat van een dergelijk geval in casu geen sprake is. De opgeëiste persoon bevindt zich in overleveringsdetentie en derhalve is geen sprake van een verkapte voorlopige hechtenis in de Nederlandse strafzaak, zoals door de raadsman is betoogd.
Door de raadsman is daarnaast aangevoerd dat sprake is van een dreigende schending van artikel 6 EVRM Pro, derde lid, onder b, nu de Nederlandse strafzaak een grondige voorbereiding vereist en een dergelijke voorbereiding niet kan plaatsvinden indien de opgeëiste persoon zich in Duitsland in detentie bevindt. Hoewel een beroep op artikel 6 EVRM Pro in dit geval niet tot een schorsing kan leiden, merkt het hof ten overvloede op dat deze gestelde dreigende schending onvoldoende is onderbouwd en ook anderszins niet aannemelijk is geworden.

De beslissing

Het hof:
WIJST AF het beroep tegen de bestreden beslissing, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
13-752149-19
Deze beschikking is gegeven op 26 februari 2020 in raadkamer van dit hof door
mr. F.A. Hartsuiker, voorzitter,
mrs. M.L. Leenaers en A.E. Kleene-Krom, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D. de Jong en B. Berberoglu als griffiers.
De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de opgeëiste persoon.
Amsterdam, 26 februari 2020,
de advocaat-generaal