ECLI:NL:GHAMS:2020:828
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewindvoering wegens geestelijke en lichamelijke toestand ondanks verzet
In deze zaak is door verzoeker en zijn moeder hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de kantonrechter die het bewind over de goederen van verzoeker handhaafde. Het bewind was ingesteld wegens de geestelijke en lichamelijke toestand van verzoeker die hem belemmerde zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.
Verzoeker en zijn moeder stelden dat de noodzaak voor het bewind niet meer bestond, onder meer omdat verzoeker geen schulden meer had en in staat was zijn financiële zaken zelf te beheren. Zij voerden ook aan dat de verstandhouding met de bewindvoerder ernstig verstoord was en dat het bewind te zwaar was.
De bewindvoerder gaf aan geen contact meer te kunnen krijgen met verzoeker en verzocht ontslag als bewindvoerder. Het hof stelde vast dat verzoeker destijds vanwege zijn geestelijke en lichamelijke toestand onder bewind was gesteld en dat verzoeker en zijn moeder onvoldoende bewijs hadden geleverd dat deze toestand was verbeterd. Het hof oordeelde dat de gronden voor het bewind nog aanwezig waren en dat het verzoek tot opheffing niet toewijsbaar was.
Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de kantonrechter en handhaafde het bewind over de goederen van verzoeker.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en handhaaft het bewind over de goederen van verzoeker.