ECLI:NL:GHAMS:2020:859
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot herroeping arrest wegens vermeend bedrog UWV
In deze zaak vordert appellant de herroeping van het arrest van 12 april 2016 van het Gerechtshof Amsterdam, waarin zijn beroep tegen het ontslag door UWV werd afgewezen. Appellant stelt dat UWV in dat geding bedrog heeft gepleegd door onjuiste en misleidende feiten te presenteren over de reorganisatie en zijn ontslag.
Het hof overweegt dat de vordering tot herroeping binnen drie maanden na het bekend worden van de feiten en omstandigheden waarop het vermeende bedrog berust, moet worden ingesteld. Appellant heeft deze termijn overschreden omdat de feiten en omstandigheden reeds vóór het arrest bekend waren. Daarnaast is niet gebleken dat UWV zich bedrieglijk heeft gedragen in het eerdere geding. De verklaring van een voormalige leidinggevende van appellant, waarop appellant zich beroept, leidt niet tot een ander oordeel.
Het hof benadrukt dat een herroepingsprocedure niet bedoeld is om via voortgezet debat alsnog gelijk te krijgen na een ongunstig arrest. De vordering wordt daarom afgewezen en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering tot herroeping van het arrest wegens vermeend bedrog door UWV wordt afgewezen vanwege termijnoverschrijding en gebrek aan bewijs.