Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.3. Beoordeling
Ten aanzien van de huisvesting van [de vrouw]
Ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, voormalige echtelieden, zijn in 1981 op huwelijkse voorwaarden getrouwd en in 1995 gescheiden. In het echtscheidingsconvenant is bepaald dat de man een woning zou kopen waar de vrouw tegen betaling van hypotheekrente en eigenaarslasten zou wonen, waarbij de man een persoonlijk recht van gebruik en bewoning verleende. De man vorderde in eerste aanleg beëindiging van dit gebruiksrecht en ontruiming van de woning, terwijl de vrouw stelde dat sprake was van een huurovereenkomst.
De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst een huurovereenkomst was, omdat de vrouw een tegenprestatie leverde door betaling van hypotheekrente en lasten. Het hof vernietigt dit oordeel en kwalificeert de overeenkomst als bruikleenovereenkomst, omdat de betalingen van de vrouw uitsluitend de door de man gemaakte onkosten dekken en geen tegenprestatie vormen in de zin van huurrecht.
De subsidiaire vordering van de vrouw dat sprake is van een huurovereenkomst wordt afgewezen. De proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De vrouw is in hoger beroep niet verschenen en verstek is tegen haar verleend.
Uitkomst: De overeenkomst tussen partijen wordt gekwalificeerd als bruikleenovereenkomst en niet als huurovereenkomst; de subsidiaire vordering van de vrouw wordt afgewezen.