ECLI:NL:GHAMS:2020:947
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt alimentatieafspraken en wijst samenwoning als beëindigingsgrond af
Partijen zijn in 2013 gehuwd en in 2016 gescheiden. In het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan zijn afspraken gemaakt over kinderalimentatie en partneralimentatie, waarbij de ingangsdatum gekoppeld is aan het moment dat de vrouw een eigen woning betrekt.
De man stelde in hoger beroep dat de alimentatie pas verschuldigd zou zijn vanaf inschrijving van het kind bij de vrouw en dat zijn partneralimentatieplicht per februari of oktober 2017 eindigde wegens samenwoning van de vrouw met een ander. Het hof oordeelt dat de afspraken in het convenant en ouderschapsplan bindend zijn en dat de ingangsdatum van 22 juni 2016 correct is.
Verder is vastgesteld dat de samenwoning van de vrouw met haar partner tijdelijk was en niet voldoet aan de restrictieve criteria van artikel 1:160 BW Pro. De man kon onvoldoende bewijs leveren voor het beëindigen van zijn alimentatieplicht op die grond.
Ten slotte is de afspraak over een gezamenlijke kindrekening buiten werking gesteld omdat partijen deze niet gebruikten en de vrouw dit in een aparte procedure wenst te regelen. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de alimentatieafspraken met ingangsdatum 22 juni 2016 en wijst het beroep op samenwoning als beëindigingsgrond af vanwege het tijdelijke karakter.