Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
- rentevorm,
- resterende rentevastperiode,
- risicoklasse, en
- hypotheekvorm
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
Appellanten hebben in hoger beroep geprocedeerd tegen ABN AMRO over de vergoeding die de bank in rekening bracht voor het openbreken van de rentevaste periodes van hun hypothecaire kredietovereenkomst. Zij stelden dat de vergoeding op basis van de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend was en dat alleen het werkelijk financieel nadeel in rekening mocht worden gebracht.
Het hof stelde vast dat de hypotheek in 2013 was gesloten en in 2016 via internetbankieren werd gewijzigd waarbij de rentevastperiodes werden opengebroken. ABN AMRO bracht een vergoeding in rekening, gebaseerd op algemene voorwaarden die uitleg geven over de berekening van de boete bij vervroegde aflossing of openbreken van de rentevastperiode.
Appellanten voerden onder meer aan dat de Hypothekenrichtlijn (EU-richtlijn 2014/17) en de Nederlandse wetgeving een beperking stellen aan de vergoeding, dat artikel 6:237 BW Pro van toepassing was en dat de algemene voorwaarden onvoldoende transparant waren. Het hof verwierp deze grieven, oordeelde dat de Hypothekenrichtlijn niet ziet op het openbreken van rentevaste periodes, dat er geen sprake was van beëindiging van de overeenkomst, en dat de algemene voorwaarden voldoende transparant en niet onredelijk bezwarend zijn.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde appellanten in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellanten af wegens onvoldoende grond voor onredelijk bezwarendheid van de vergoeding.