ECLI:NL:GHAMS:2021:1461
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aansprakelijkheid ex-echtgenote voor helft schuld kredietovereenkomst onder oud recht
In deze civiele zaak is in hoger beroep het vonnis van de kantonrechter bevestigd waarbij de ex-echtgenote, ondanks dat zij geen partij was bij de kredietovereenkomst, hoofdelijk aansprakelijk is gehouden voor de helft van de schuld die haar ex-echtgenoot was aangegaan. De schuld ontstond onder het oude recht, namelijk art. 1:102, tweede volzin, BW (oud), dat op het moment van de ontbinding van het huwelijk van toepassing was.
De ex-echtgenote voerde aan dat toepassing van deze oude wettelijke regeling onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede omdat de wetgever deze bepaling per 1 januari 2012 heeft gewijzigd om dergelijke situaties te voorkomen. Zij stelde dat zij nauwelijks iets van waarde had ontvangen bij de verdeling van de huwelijkse gemeenschap, waardoor de aansprakelijkheid disproportioneel zou zijn.
Het hof oordeelde echter dat het oude recht van toepassing is en dat de ex-echtgenote onvoldoende feiten en omstandigheden had aangevoerd om het beroep op deze wettelijke regeling onaanvaardbaar te achten. Het feit dat zij geen partij was bij de kredietovereenkomst en niet op de hoogte was van de schuld, evenals het feit dat zij weinig waarde had ontvangen bij de verdeling, waren reeds verdisconteerd in het oude recht. De grieven van de ex-echtgenote werden verworpen en het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd.
De ex-echtgenote werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Dit arrest werd uitgesproken door het Gerechtshof Amsterdam op 25 mei 2021.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt de ex-echtgenote tot betaling van de helft van de schuld en in de proceskosten.