Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken. Sinds augustus 2019 bestaan bij de GI zorgen over het welzijn van [kind A] . [kind A] had een ontwikkelings- en taalachterstand en toonde agressief en zelfbepalend gedrag (schoppen, slaan, bijten, schreeuwen). Hoewel de ouders zich liefdevol naar [kind A] toonden, had de GI twijfels over de opvoedvaardigheden en de leerbaarheid van de moeder, met name op het gebied van de begrenzing van [kind A] . Dit vormde dan ook aanleiding [kind A] onder toezicht van de GI te plaatsen.
De GI heeft in eerste instantie getracht, van augustus 2019 tot juli 2020, met opvoedondersteuning en intensieve begeleiding vanuit Philadelphia de moeder te begeleiden. Toen na verloop van tijd bleek dat de moeder de aangereikte handvaten onvoldoende in de praktijk toepaste en de communicatie steeds moeizamer verliep, is uiteindelijk het traject met Philadelphia gestaakt. Vervolgens heeft de GI van 28 juli 2020 tot 24 augustus 2020 Ambulante Crisishulp via Parlan Jeugdhulp ingezet. In de conclusie beschrijft de gezinsmedewerker dat de moeder erg om [kind A] geeft, maar het moeilijk vindt consequent en voorspelbaar te zijn voor [kind A] . Hierdoor vertoont [kind A] zelfbepalend gedrag en vraagt hij vaak op een negatieve manier aandacht.
De bij de GI al bestaande zorgen dat de moeder [kind A] niet de noodzakelijke veiligheid en structuur kon bieden, zijn vervolgens bevestigd in de hiervoor reeds genoemde door de GI ontvangen meldingen in dezelfde periode. Ook uit deze meldingen is gebleken dat [kind A] zorgelijk gedrag vertoonde, te weten schoppen, bijten en slaan van de moeder, waarbij de moeder hem onvoldoende begrensde. Ook is gebleken dat de moeder naar [kind A] schreeuwde en tegen hem schold en is een vermoedelijke handafdruk op het gezicht van [kind A] waargenomen.
Gelet op deze zorgen heeft de GI destijds veiligheidsafspraken gemaakt om een uithuisplaatsing te voorkomen. Het uitgangspunt daarbij was dat [kind A] niet aan de zorg van de moeder alleen werd overgelaten. Gebleken is vervolgens dat de moeder niet consequent is geweest in het nakomen van de gemaakte veiligheidsafspraken, waardoor de moeder, tegen de gemaakte afspraak in, regelmatig alleen met [kind A] was. Het hof overweegt dat de stelling van de vader dat de veiligheidsafspraken met de GI van meet af aan niet te combineren waren met zijn werk hieraan niet afdoet, nu deze afspraken in onderling overleg zijn opgesteld.
Vervolgens heeft de GI de netwerkopties van de moeder onderzocht, maar bleek een plaatsing bij de tante in verband met haar gezin en haar werk niet mogelijk. Daarnaast was de plaatsing bij de grootmoeder van moederszijde niet mogelijk vanwege het werk van de grootmoeder en de spanningsvolle relatie tussen de moeder en de grootmoeder. Anders dan de moeder meent, zijn daarmee minder vergaande opties dan uithuisplaatsing buiten het netwerk naar het oordeel van het hof in voldoende mate bezien.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat destijds voldoende gronden aanwezig waren om de (spoed)uithuisplaatsing van [kind A] te rechtvaardigden. De noodzaak van die uithuisplaatsing werd onderstreept door het gedrag van [kind A] direct na zijn uithuisplaatsing in het gezinshuis [gezinshuis 1] . Hij liet daarbij opmerkelijk en onveilig gedrag zien, waaronder het bij andere kinderen in de nacht in de kamer komen, agressief gedrag richting jonge kinderen en niet leeftijdsadequaat (seksueel) spel met zijn barbiepoppen. Ook gaf de gezinshuismoeder aan zich niet meer veilig te voelen in haar eigen huis vanwege het gedrag van [kind A] . Een overplaatsing naar het gezinshuis [gezinshuis 2] was daarom destijds noodzakelijk om ieders veiligheid te waarborgen.