ECLI:NL:GHAMS:2021:1533
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing opheffing bewind wegens geestelijke en financiële situatie
De rechthebbende kwam in hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter die het verzoek tot opheffing van het bewind over zijn goederen had afgewezen. Het bewind was in 2017 ingesteld vanwege zijn geestelijke toestand en problematische schulden.
De rechthebbende stelde dat zijn situatie verbeterd was: hij was niet meer in behandeling bij de GGZ, woonde zelfstandig, ontving een Wajong-uitkering en kreeg maandelijks geld van de bewindvoerder. Hij betwistte dat hij zijn financiën niet kon beheren en gaf aan klaar te zijn om zijn financiële belangen zelf te behartigen.
De bewindvoerder voerde aan dat de geestelijke toestand van de rechthebbende nog onzeker was, hij zijn financiën niet goed beheerde en dat het traject naar zelfstandigheid niet succesvol werd doorlopen. Er waren zorgen over zijn woon- en leefsituatie en hij vertoonde impulsief gedrag.
Het hof oordeelde dat de rechthebbende onvoldoende had gesteld om aan te nemen dat de gronden voor het bewind niet meer aanwezig waren. Gezien de voortdurende zorgen en het ontbreken van een concreet plan voor zelfstandig financieel beheer, werd het verzoek tot opheffing van het bewind terecht afgewezen en de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het bewind over de goederen van de rechthebbende.