Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
“Natuurlijk is het tijd om [de vrouw] iets te betalen en ik wilde dat dat mogelijk was (…). Wel werken we met ons bedrijf aan twee projecten waar we een hoop mee kunnen verdienen en ik grete in ieder geval een hoop “achterstallig onderhoud” van kan betalen (…).”
“(…) Tot nu toe weet ik niet waar ik aan toe ben wat betreft de achterstallige betalingen. De bijeenkomst bij Liesbeth Harderwijk inmiddels al weer twee jaar geleden is mislukt en daarna zijn wij niet verder gekomen. Je hebt in eerdere mails gezegd dat je van plan was dit alsnog te betalen. Ik zou nu graag willen weten wanneer dat gaat gebeuren. (..)”
“Ik zal nu een advocaat in de arm nemen en me voorbereiden om de zaak voor te leggen aan de rechter”. De gang naar de rechter heeft man echter om hem moverende redenen nooit gemaakt en hij is op eigen initiatief gestopt met betalen (in 2007), en weer gestart met betaling van een deel van het bedrag (in 2009). Daarbij overweegt het hof dat uit het dossier noch uit het ter zitting in hoger beroep verhandelde blijkt dat de man de vrouw ooit daadwerkelijk inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie. De man heeft de vrouw enkel meegedeeld dat hij in een penibele financiële situatie verkeerde. De vrouw betwist dat dat het geval was. Ter zitting in hoger beroep heeft de man desgevraagd verklaard dat hij, toen hij weer alimentatie aan de vrouw ging betalen, een inkomen had van € 12.000,- netto per maand. Dit inkomen is nog steeds zeer hoog. Niet valt in te zien waarom de man er, onder de geschetste omstandigheden gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vrouw zou afzien van haar aanspraak op (meer dan) de helft van de alimentatie. Dat de vrouw na 2010 niet heeft geprotesteerd tegen betaling van (slechts) € 2.000,- per maand is naar het oordeel van het hof, gelet op de voorgeschiedenis, niet te beschouwen als een bijzondere omstandigheid. Daarbij geldt dat de vrouw genoegzaam heeft aangetoond in een lastige positie te hebben verkeerd. De man woonde in het buitenland, waardoor executie van de alimentatie werd bemoeilijkt, de vrouw kampte met psychische problemen en zij wilde vooral niet dat de kinderen belast werden met ruzie tussen de ouders. De vrouw is er, naar eigen zeggen ter zitting in hoger beroep, steeds van uitgegaan dat “de man het nog wel in orde zou maken”, hetgeen ook volgt uit de door haar overgelegde e-mails. Dat de man na 1 augustus 2016 nog een jaar lang € 2.000,- is blijven betalen is evenmin een omstandigheid die hem erop mocht laten vertrouwen dat de vrouw afzag van haar aanspraken. Het langer doorbetalen van de man zou er evengoed op kunnen wijzen dat (ook) de man van mening was dat hij tekortgeschoten was in zijn verplichtingen jegens de vrouw.