ECLI:NL:GHAMS:2021:1784

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
15 juni 2021
Zaaknummer
23-003168-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55b SvArt. 422, tweede lid, Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis ondanks lichte schending privacy bij tasdoorzoeking in openbaar

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis bevestigd. De verdachte werd beticht van een subsidiair tenlastegelegd feit, waarbij de politie zijn tas in het openbaar doorzocht.

De verdediging stelde dat de politie onvoldoende pogingen had gedaan om met de verdachte in een Oost-Europese taal te communiceren en dat het doorzoeken van de tas zonder noodzaak en in het openbaar een onherstelbaar vormverzuim opleverde, wat moest leiden tot bewijsuitsluiting en vrijspraak.

Het hof oordeelde dat de politie wel in meerdere talen, waaronder Engels, Nederlands en Duits, had geprobeerd te communiceren en dat de verdachte in het Engels had gereageerd. Het doorzoeken van de tas was noodzakelijk voor de identificatie omdat de verdachte geen antwoord gaf op vragen over zijn identiteit en er geen redelijke alternatieven waren.

Wel stelde het hof vast dat het doorzoeken in het openbaar in strijd was met artikel 55b, tweede lid, Sv, omdat niet was aangetoond dat dit noodzakelijk was om voorkomen dat de verdachte bewijs zou vernietigen. Deze schending werd echter als een geringe inperking van het recht op privacy beoordeeld, zonder dat hieraan gevolgen werden verbonden.

Daarom bevestigde het hof het vonnis van de politierechter met een aanvulling op de motivering omtrent het gevoerde verweer in hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis van de politierechter ondanks een lichte schending van het recht op privacy bij het doorzoeken van de tas van verdachte in het openbaar.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003168-19
datum uitspraak: 15 juni 2021
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 augustus 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-181593-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het vonnis voorziet van een aanvulling met een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer en de overwegingen van het hof daaromtrent.
Dit impliceert dat het in hoger beroep gevoerde verweer strekkende tot het ontbreken van de materiele wederrechtelijkheid voor dat feit onbesproken kan blijven.

Bespreking van in hoger beroep gevoerde verwren

De raadsman heeft gesteld dat de politie tevergeefs met de verdachte heeft geprobeerd te communiceren teneinde zijn identiteit vast te stellen. Ondanks het Oost-Europese uiterlijk van de verdachte is niet getracht om met hem in een Oost-Europese taal, zoals bijvoorbeeld het Pools, te communiceren. De politie heeft vervolgens zonder noodzaak daartoe, bovendien in het openbaar, in de tas van de verdachte gekeken. Doordat geen noodzaak bestond om in de tas van de verdachte te kijken, laat staan om dat in het openbaar te doen, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Het optreden van de politie schendt het grondrecht op privacy en moet leiden tot bewijsuitsluiting van het proces-verbaal van bevindingen van 29 juli 2019. In het geval van bewijsuitsluiting resteert onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken.
Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.
De politie heeft blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 29 juli 2019 in verschillende talen geprobeerd te communiceren met de verdachte, namelijk in het Nederlands, Engels en Duits. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat wel communicatie met de verdachte mogelijk was. Uit het proces-verbaal blijkt namelijk dat de verdachte, op een vraag van de politie, in de Engelse taal heeft verklaard dat de bij hem aangetroffen bankpassen van zijn vriendin waren. De politie heeft vervolgens, nadat de verdachte geen antwoord gaf op vragen over zijn identiteit, toepassing gegeven aan artikel 55b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het doorzoeken van de tas die de verdachte bij zich droeg was noodzakelijk voor de vaststelling van de identiteit van de verdachte, omdat hij geen antwoord op vragen hieromtrent gaf en er geen redelijke andere mogelijkheid bestond om diens identiteit te achterhalen. Gelet hierop is er geen sprake van een (onherstelbaar) vormverzuim met betrekking tot het bepaalde in artikel 55b, eerste lid Sv..
Het hof is van oordeel dat het tweede lid van artikel 55b Sv door het optreden van de politie is geschonden. Uit het dossier blijkt niet waarom het noodzakelijk was om de tas van de verdachte
in het openbaarte doorzoeken. Het dossier geeft geen blijk van feiten en/of omstandigheden waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat moest worden voorkomen dat de verdachte voorwerpen waaruit zijn identiteit zou kunnen blijken zou wegmaken dan wel beschadigen. Nu daarvan niet is gebleken, is het doorzoeken van de tas van de verdachte in het openbaar naar het oordeel van het hof aan te merken als een lichte inperking van het recht op privacy. Aan het vormverzuim zullen geen gevolgen worden verbonden, daar het een geringe inperking betreft.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. S.M.M. Bordenga en mr. F.A. Hartsuiker, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
15 juni 2021.
mr. S.M.M. Bordenga en mr. F.A. Hartsuiker zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]