Uitspraak
1.[klaagster 1] ,
[klaagster 2],
Gerechtshof Amsterdam
Klaagsters hebben een klacht ingediend tegen een notaris wegens vermeende onjuiste advisering over de aanvaarding van de nalatenschap van hun moeder. Zij stellen dat de notaris hen niet heeft gewezen op de risico’s van zuivere aanvaarding en de mogelijkheid van vorderingen uit de nalatenschap van hun vader, waardoor zij persoonlijk aansprakelijk zijn gesteld voor een boedeltekort.
De klacht werd door de kamer voor het notariaat niet-ontvankelijk verklaard omdat deze te laat was ingediend, na het verstrijken van de driejaarstermijn zoals bepaald in artikel 99 lid 21 van Pro de Wet op het notarisambt (Wna). Klaagsters voerden aan dat de termijn pas moest gaan lopen vanaf het moment dat zij kennis kregen van het nalaten van de notaris, namelijk bij de aansprakelijkstelling in oktober 2017.
Het hof oordeelt dat de termijn objectief start op het moment van het handelen of nalaten van de notaris, hier de bespreking van 18 februari 2014, en niet op het moment van subjectieve kennis van de gevolgen daarvan. Ook de nadere eenjaarstermijn voor het indienen van een klacht na het bekend worden van de gevolgen biedt geen uitkomst, omdat de klacht ook dan te laat is ingediend. Het hof bevestigt daarom de niet-ontvankelijkverklaring van de klacht.
Uitkomst: De klacht tegen de notaris is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de klachttermijn.