ECLI:NL:GHAMS:2021:1861
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. De betrokkene was eerder veroordeeld voor medeplichtigheid aan hennepteelt, waarbij zij de kelder van haar woning ter beschikking stelde.
Het openbaar ministerie vorderde betaling van een bedrag van circa €126.777 aan de Staat, maar het hof oordeelde dat niet aannemelijk was dat de betrokkene daadwerkelijk voordeel had behaald uit de hennepteelt. De betrokkene had geen rol in de inrichting, financiering of oogst van de kwekerij en verklaarde dat haar contante geld afkomstig was uit de verkoop van goederen van haar overleden partner.
De raadsman stelde dat geen sprake was van een gemeenschappelijk voordeel en dat een vordering op basis van een pondsgewijze verdeling onredelijk zou zijn. Het hof volgde dit standpunt en vernietigde het eerdere vonnis, waarbij het de vordering tot ontneming afwees.
Daarnaast oordeelde het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk was in hoger beroep ondanks een geringe termijnoverschrijding bij het indienen van het appelschrift. De inhoudelijke beoordeling van de zaak werd daardoor niet belemmerd.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 29 juni 2021.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van voordeel bij betrokkene.