ECLI:NL:GHAMS:2021:1964
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opheffing mentorschap en ontslag bewindvoerder bij verstandelijk beperkte rechthebbenden
De zaak betreft twee rechthebbenden met een matige verstandelijke beperking die verzoeken tot opheffing van hun mentorschap en ontslag van hun bewindvoerder. De kantonrechter had deze verzoeken afgewezen, waarna hoger beroep werd ingesteld.
In hoger beroep betoogden de rechthebbenden dat zij zelfstandig hun belangen kunnen behartigen en onvoldoende leefgeld ontvangen van de bewindvoerder. De mentoren en bewindvoerder voerden verweer, waarbij zij ernstige zorgen uitten over de leefomstandigheden en gezondheid van de rechthebbenden, en het belang van voortzetting van het mentorschap en bewindvoering benadrukten.
Het hof overwoog dat de verzoeken tot opheffing van het bewind niet ontvankelijk waren vanwege procesrechtelijke bezwaren. Uit rapporten van een orthopedagoog bleek dat beide rechthebbenden een matige verstandelijke beperking hebben en ondersteuning nodig blijven hebben. De situatie was verslechterd, en er waren reële zorgen over hun welzijn. Het hof oordeelde dat voortzetting van het mentorschap noodzakelijk en zinvol is en dat er geen gewichtige redenen zijn voor ontslag van de bewindvoerder.
Daarom werd de bestreden beschikking bekrachtigd en de verzoeken afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het mentorschap en ontslag van de bewindvoerder.