In deze civiele zaak stond de gezags- en zorgregeling over twee minderjarige kinderen centraal. De moeder verzocht om eenhoofdig gezag en een aangepaste zorgregeling, terwijl de vader de bestaande regeling wilde handhaven en incidenteel verzocht om meer omgangsweekenden.
De rechtbank had eerder het gezamenlijk gezag bevestigd en een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen om de veertien dagen bij de vader verbleven. Het hof bevestigde het gezamenlijk gezag, omdat niet was gebleken dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders, ondanks de moeizame communicatie.
De zorgregeling werd gewijzigd: de kinderen verblijven nu vijf van de acht weekenden bij de vader, wat meer betrokkenheid van hem mogelijk maakt en rekening houdt met de autonomie van de kinderen. De vakanties en feestdagen worden verdeeld volgens een nieuwe regeling die onder meer voorziet in een wisselende verdeling van de zomervakantie afhankelijk van de schoolfase van het jongste kind.
De verzoeken tot wijziging van de ophaaltijden op zondag werden afgewezen om stabiliteit voor de kinderen te waarborgen. De raad voor de Kinderbescherming adviseerde het gezamenlijk gezag te handhaven en een traject te volgen om de communicatie tussen ouders te verbeteren.
De beschikking van de rechtbank werd op onderdelen vernietigd en gewijzigd, met als doel het belang van de kinderen te dienen door een evenwichtige zorg- en omgangsregeling te treffen.