In deze kortgedingzaak vordert een minderjarige, vertegenwoordigd door zijn wettelijke vertegenwoordiger, dat ABN AMRO zijn persoonsgegevens verwijdert uit het Incidentenregister (ICR) en het Extern Verwijzingsregister (EVR) vanwege fraude met zijn bankrekening. De bank had de rekening stopgezet en de persoonsgegevens opgenomen in beide registers, waarbij de gegevens acht jaar zouden blijven staan.
De voorzieningenrechter oordeelde dat ABN AMRO de persoonsgegevens uit het EVR moest verwijderen en de registratie in het ICR moest beperken tot drie jaar. ABN AMRO ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat de vordering niet-ontvankelijk was en dat de opname in het EVR gerechtvaardigd was.
Het hof oordeelt dat de minderjarige ontvankelijk is in zijn vorderingen en dat de feiten omtrent zijn betrokkenheid bij de fraude voldoende vaststaan. Wel acht het hof opname in het EVR niet proportioneel vanwege zijn minderjarige leeftijd, de korte duur van de gedragingen en het geringe risico op herhaling. Daarom wordt het bestreden vonnis bekrachtigd en ABN AMRO veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.