Partijen, die samen het gezag over hun minderjarige kind hebben, leefden van 2004 tot 2018 samen. Na hun relatiebreuk is een zorgregeling vastgesteld waarbij het kind gelijk verdeeld bij beide ouders verblijft. De vader verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats naar zijn adres, hetgeen door het hof is afgewezen omdat het kind evenveel tijd bij beide ouders doorbrengt en een vaststelling van hoofdverblijfplaats spanningen zou kunnen verergeren.
De vader betwistte ook de hoogte van de kinderalimentatie en stelde een lagere behoefte van het kind voor, maar het hof handhaafde de behoefte van €830 per maand in 2019 en €851 in 2020. De draagkracht van beide ouders werd nauwkeurig berekend op basis van hun inkomens, werkuren en overige omstandigheden, zoals de aankoop van vakantie-uren door de vader en het ouderschapsverlof van de moeder.
Het hof hanteerde een zorgkorting van 35% conform richtlijnen, ondanks het verzoek van de vader voor een hogere korting vanwege verblijfsoverstijgende kosten. De moeder draagt alle verblijfsoverstijgende kosten. De bijdrage van de vader werd vastgesteld op €339 per maand vanaf 11 april 2019 en €343 vanaf 1 januari 2020. Het verzoek van de vader om teveel betaalde alimentatie terug te vorderen werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De beschikking van de rechtbank werd op deze punten vernietigd en het hof bepaalde dat het kind op het adres van de moeder ingeschreven blijft zonder dat een hoofdverblijfplaats wordt vastgesteld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.